uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/488 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2020 in de zaak tussen M&H International Tranz B.V. (M&H) te Spijkenisse, appellante, (gemachtigde: R. de Rijke) en Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerder, (gemachtigde: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen) Procesverloop Bij besluit van 9 november 2018 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd aan appellante op haar aanvraag een communautaire vergunning op grond van de Wet wegvervoer goederen ( communautaire vergunning) te verlenen. Bij besluit van 18 februari 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Appellante is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen. Voor verweerder zijn verder nog verschenen [naam 1] en [naam 2] . Overwegingen 1. Verweerder heeft één dag voor de zitting, na sluiting van de tien-dagen termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht, nadere stukken (bijlage 15 tot en met 19) ingediend. Nu appellante zich niet over (het toelaten van) die stukken heeft kunnen uitlaten, zal het College bij zijn beoordeling van het beroep geen acht op slaan op deze nadere stukken. 2.1. Appellante heeft op 8 juni 2018 bij verweerder een aanvraag om een communautaire vergunning ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. 2.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat appellante niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening 1071/2009/EG. Deze verordening ziet op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen. De drie achtereenvolgens door appellante voorgestelde (externe) vervoermanagers die bij haar de vakbekwaamheid inbrengen, voldoen volgens verweerder allen niet. De op 29 januari 2019 - als laatste - voorgestelde vervoersmanager [naam 3] ( [naam 3] ) kan volgens verweerder vanwege zijn overige werkzaamheden niet voldoen aan de voorwaarde dat hij daadwerkelijk en permanent leiding geeft aan de vervoersactiviteiten van appellante. Dit leidt verweerder af uit het op 27 januari 2019 mede door [naam 3] ondertekende formulier inbreng vakbekwaamheid (verklaring inbreng vakbekwaamheid) waarin is vermeld dat [naam 3] gedurende 40 uur per week werkzaam is als DGA bij [naam 4] B.V. ( [naam 4] ) en uit het feit dat uit eigen onderzoek is gebleken dat in de verklaring inbreng vakbekwaamheid ten onrechte niet ook is vermeld dat [naam 3] in het Verenigd Koninkrijk (VK) directeur is van [naam 5] LTD ( [naam 5] ). [naam 3] wordt vanwege de opgegeven werkzaamheden voor [naam 4] en de verzwegen werkzaamheden voor [naam 5] door verweerder niet in staat geacht ook nog daadwerkelijk en permanent leiding te geven aan de vervoersactiviteiten bij een andere onderneming. Daarom is [naam 3] door verweerder niet geaccepteerd als (externe) vervoersmanager die bij appellante de vakbekwaamheid inbrengt. Gelet hierop heeft appellante niet aangetoond dat zij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid en onder d, van Verordening 1071/2009/EG. 3.1. Appellante heeft in haar beroepschrift van 29 maart 2019 aangevoerd dat [naam 3] ten onrechte niet is geaccepteerd als vervoersmanager. Hij heeft genoeg tijd om die functie te vervullen naast zijn werkzaamheden als DGA van [naam 4] en als directeur van [naam 5] . [naam 4] is recent opgericht en heeft thans nog geen activiteiten. Omdat de heer [naam 3] zijn handen vrij wil hebben om zijn Nederlandse onderneming van de grond te krijgen, heeft hij voor [naam 5] een externe vervoersmanager aangesteld. [naam 3] ging er van uit dat hij zijn betrokkenheid bij [naam 5] niet hoefde op te geven. Hij heeft dat niet bewust verzwegen. De heer [naam 3] heeft zich bereid verklaard als vervoersmanager voor appellante op te treden en beschikt over alle kwalificaties om deze functie te bekleden. 3.2. Verweerder heeft in zijn verweerschrift, naast een herhaling van de in het bestreden besluit gehanteerde afwijzingsgronden en het feit dat de verklaring inbreng vakbekwaamheid door de verzwijging niet naar waarheid is ingevuld, verder nog aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken, dat appellante en [naam 4] vergunningsbewijzen inlenen van derden terwijl zij zelf niet beschikken over een vergunning. [naam 4] is reeds op 4 juni 2018 opgericht, en dus niet ‘recent’ als vermeld in het beroepschrift. In de Algemene Bepalingen van Bijlage II bij Verordening 1072/2009, die ziet op de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, is bepaald dat een vergunning persoonlijk is en niet aan een derde mag worden overgedragen. [naam 4] voert dus wel - zij het illegaal - vervoersactiviteiten uit. Het is aannemelijk dat [naam 3] fulltime voor zijn eigen onderneming [naam 4] werkzaam is. Zeker gelet hierop volgt uit het enkele gegeven dat op het formulier verklaring inbreng vakbekwaamheid is ingevuld dat [naam 3] bij appellante verantwoordelijk is voor alle voorkomende taken, noch uit de overgelegde managementovereenkomst, dat dit daadwerkelijk het geval is. Het is daarmee niet aannemelijk dat [naam 3] als vervoersmanager voor appellante op een juiste wijze kan voorzien in de eis van vakbekwaamheid. 3.3. Verweerder heeft ter zitting voorts aangevoerd dat appellante mogelijk ook niet aan de voorwaarden van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van Verordening 1071/2009/EG voldoet. 4. Het College overweegt als volgt. 4.1. In dit geding is de volgende regelgeving van belang. Verordening 1071/2009/EG Artikel 3 1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen moeten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.