uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1116 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 in de zaak tussen Melkveebedrijf [naam 1] , te Broekland, gemeente Raalte, appellant, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. K.R. van Welsum). Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld. Bij besluit van 25 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 22 oktober 2018 (vervangingsbesluit I) heeft verweerder onder intrekking van het bestreden besluit het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Appellant is in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van vervangingsbesluit I zijn beroep aan te vullen. Door appellant zijn nadere stukken overgelegd. Bij besluit van 29 mei 2019 (vervangingsbesluit II) heeft verweerder vervangingsbesluit I herzien en vervangen door vervangingsbesluit II, het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Namens appellant is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen een reactie op vervangingsbesluit II en het verweerschrift van dezelfde datum over te leggen. Bij brief van 27 februari 2020 heeft appellant nadere stukken overgelegd. In reactie hierop heeft verweerder op 17 maart 2020 een aanvullend verweerschrift ingediend. De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft op 8 juni 2020 plaatsgevonden. Namens appellant heeft [naam 2] deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 In artikel 1, eerste lid ll van de Msw is fosfaatruimte gedefinieerd als de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge artikel 8, onderdeel c, mag worden gebracht op of in de tot het desbetreffende bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond . 1.2 Artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel m van de Msw bepaalt dat de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is: in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is. 1.3 Ingevolge artikel 21b van de Msw is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. 1.4 Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Ingevolge het zesde lid bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover de landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt. 1.5 Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Feiten 2.1 Appellant exploiteert, in de vorm van een eenmanszaak, een melkveehouderij. 2.2 Appellant heeft op 29 maart 2018, aangevuld op 30 maart 2018, een melding bijzondere omstandigheden ingediend. Als bijzondere omstandigheid heeft appellant gesteld dat hij sinds 2 mei 2015 kampt met ziekte. Als gevolg hiervan was volgens appellant het aantal op zijn bedrijf aanwezige stuks vee op 2 juli 2015 lager dan op 2 mei 2015. Appellant stelt het op laatstgenoemde datum aanwezige aantal stuks vee op 189 melk- en kalfkoeien (diercategorie 100), 77 stuks jongvee jonger dan 1 jaar (diercategorie 101) en 59 stuks jongvee van 1 jaar en ouder (diercategorie 102). Besluiten van verweerder 3.1 Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 8.412 kg. Daarbij is hij uitgegaan van – de op de peildatum van 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezige – 176 melk- en kalfkoeien (diercategorie 100), 72 stuks jongvee jonger dan 1 jaar (diercategorie 101) en 61 stuks jongvee van 1 jaar en ouder (diercategorie 102). Verder is uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 1.424.510 kg, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 7.936 kg en een excretieforfait van 40,6 kg. Bij het berekenen van de fosfaatruimte op de peildatum van 15 mei 2015 is rekening gehouden met in totaal 41,29 ha grasland en 50,27 ha bouwland. Omdat de fosfaatproductie in 2015 de berekende fosfaatruimte overstijgt, is een korting toegepast van 8,3% (de generieke korting). 3.2 Voormelde uitgangspunten en berekening zijn door verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd. 3.3 Bij vervangingsbesluit I heeft verweerder met toepassing van het zesde lid van artikel 23 van de Msw het fosfaatrecht van appellant aan de hand van 188 melk- en kalfkoeien (diercategorie 100), 77 stuks jongvee jonger dan 1 jaar (diercategorie 101) en 59 stuks jongvee van 1 jaar en ouder (diercategorie 102) vastgesteld op 10.124 kg (dan wel op 9.362 kg). Hierbij is uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 1.425.510 kg, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 9.017 kg en een excretieforfait van 43,5 kg. De fosfaatruimte in 2015 is op gelijke wijze berekend als in het herroepen primaire besluit en heeft (wederom) geleid tot toepassing van de generieke korting. 3.4 Bij vervangingsbesluit II heeft verweerder met toepassing van het zesde lid van artikel 23 van de Msw het fosfaatrecht van appellant aan de hand van 188 melk- en kalfkoeien (diercategorie 100), 77 stuks jongvee jonger dan 1 jaar (diercategorie 101) en 60 stuks jongvee van 1 jaar en ouder (diercategorie 102) vastgesteld op 8.883 kg. Hierbij is – evenals in het herroepen primaire besluit – uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 1.424.510 kg, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 7.936 kg en een excretieforfait van 40,6 kg. Bij het berekenen van de fosfaatruimte op de peildatum van 15 mei 2015 is rekening gehouden met in totaal 41,29 ha grasland en 50,26 ha bouwland. Omdat de fosfaatproductie in 2015 de berekende fosfaatruimte overstijgt, is de generieke korting toegepast. Omvang van het geding 4. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit mede betrekking op de vervangingsbesluiten. Nu het bestreden besluit is ingetrokken en vervangingsbesluit I is vervangen door vervangingsbesluit II, en gesteld noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit en/of vervangingsbesluit I, zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Beroepsgronden 5.1 Appellant betoogt dat, gelet op zijn ziekte en met inachtneming van het bepaalde in artikel 23, zesde lid, van de Msw, een correctie dient plaats te vinden op het aan hem toegekende fosfaatrecht. Verweerder moet hierbij wat betreft de dieraantallen uitgaan van 545 stuks melk- en kalfkoeien en 214 stuks jongvee, zoals opgenomen in de bij besluit van 11 april 2014 op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleende vergunning (Nbw-vergunning). Indien verweerder daar niet in mee wenst te gaan, dient het aantal op 1 mei 2015 aanwezige dieren als uitgangspunt te worden genomen. 5.2 Uit berekeningen van CRV-mineraal blijkt dat het bedrijf van appellant als grondgebonden aangemerkt moet worden. Ook was in verband met ziekte nog eens 21 ha grond verhuurd. Als deze omstandigheid zich niet had voorgedaan, was de grond niet verhuurd geweest. Toepassing van een kortingspercentage moet dus achterwege blijven. 5.3 Aanvullend heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat nu hij binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen vervangingsbesluit I, verweerder niet gerechtigd was het daarin vastgestelde aantal fosfaatrecht van 10.124 kg bij vervangingsbesluit II te verlagen naar 8.833 kg. Appellant wijst erop dat hij op basis van het hem bij vervangingsbesluit I toegekende aantal fosfaatrecht onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan. Zo heeft hij op 3 december 2018 – dus na ontvangst van vervangingsbesluit I – een overeenkomst van aanneming van werk voor de bouw van een stal ondertekend voor een bedrag van € 1.403.009,06 (inclusief omzetbelasting). Standpunt van verweerder 6.1 Verweerder volgt appellant niet in zijn betoog dat fosfaatrechten moeten worden toegekend op basis van de dieraantallen zoals opgenomen in de verleende Nbw-vergunning. Deze dieraantallen zijn weliswaar aan appellant vergund maar hebben nimmer daadwerkelijk op het bedrijf geregistreerd gestaan. Dat bij de vaststelling van het aantal fosfaatrecht mag worden uitgegaan van de peildatum 2 juli 2015 in plaats van de vergunde aantallen volgt volgens verweerder ook uit de heropeningsbeslissing van het College van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522). Wel acht verweerder aangetoond dat per 1 mei 2015 sprake was van ziekte van de ondernemer op het bedrijf. Het causale verband tussen die ziekte en het lager aantal toegekende fosfaatrechten acht verweerder eveneens aangetoond. Voor zover appellant heeft beoogd te betogen dat bij de toepassing van de knelgevallenregeling zou moeten worden uitgegaan van de vergunde dieraantallen, wijst verweerder erop dat de knelgevallenregeling niet bedoeld is voor toekenning van niet gerealiseerde uitbreidingsplannen. Verweerder berekent het aantal fosfaatrechten onder toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw op basis van de dieraantallen zoals die op 1 mei 2015 in het Identificatie en Registratie systeem (I&R-systeem) geregistreerd stonden. Bij vervangingsbesluit II heeft verweerder het fosfaatrecht op grond daarvan vastgesteld op 8.833 kg fosfaatrecht. 6.2 Verweerder ziet verder in de door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij in verband met zijn ziekte in 2015 grond aan derden heeft verpacht geen aanleiding tot aanpassing van de berekende fosfaatruimte. Het is hoe dan ook niet mogelijk om met toepassing van het zesde lid van artikel 23 van de Msw de ruim 21 (extra) ha mee te nemen bij het vaststellen van het fosfaatrecht. In laatstgenoemd artikellid is immers bepaald dat het fosfaatrecht wordt vastgesteld aan de hand van het melkvee waarover de landbouwer zonder de buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt, het aantal hectares landbouwgrond speelt daarbij geen rol. Het beroep op het overzicht van CRV Mineraal kan appellant niet baten. Voor zover appellant aangeeft Bedrijfseigen fosfaatproductie voordeel te hebben, geldt dat appellant niet heeft meegedaan aan de pilot en dus geen beschikking hierover heeft ontvangen. Er kan in het geval van appellant dan ook geen rekening worden gehouden met bedrijfsspecifieke excretie. Voor zover appellant met het overzicht heeft bedoeld aan te tonen dat hij in 2015 de beschikking had over 93,08 ha grond (en dus grondgebonden was), volgt verweerder appellant evenmin. De fosfaatruimte van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder ll, sub 1° van de Msw wordt bepaald op grond van de artikel 8, onderdeel c, van de Msw in samenhang met artikelen 24 en 26 van het Uitvoeringsbesluit. Dat betekent dat de opgave landbouwgrond in de Gecombineerde Opgave 2015 (het gewaspercelen overzicht) doorslaggevend is. Daarin staat dat 92,79 ha landbouwgrond in gebruik is bij appellant op 15 mei 2015. Dit is na controle door verweerder en aftrek van (landschaps)elementen die niet kunnen worden aangemerkt als landbouwgrond (paden, sloten, bomen etc.) aangepast in 91,55 ha. Dat is de oppervlakte op basis waarvan de fosfaatruimte is berekend. De omstandigheid dat de verpachte grond op 15 mei 2015 nog tot appellants bedrijf behoorde, maakt niet dat deze meetelt bij de vaststelling van de fosfaatruimte. Deze gronden zijn door appellant niet opgegeven in de Gecombineerde Opgave 2015, maar door de pachter en die heeft hiervoor de fosfaatrechten ontvangen. Voorts wijst verweerder er nog op dat de keuze om de grond te verpachten voor rekening en risico van appellant komt. Niet is gebleken dat geen alternatieven voor het in eigen gebruik van de grond houden aanwezig waren. Uit nader onderzoek van verweerder volgt bovendien dat appellant de percelen met nummers 35, 36, 38 en 39 voor het eerst in de Gecombineerde Opgave 2017 heeft opgegeven en perceel met nummer 37 pas in de Gecombineerde Opgave 2018. Onduidelijk blijft of en wanneer appellant eigenaar is geworden van de percelen. Wel is duidelijk dat de percelen in 2014 bij andere landbouwers in gebruik zijn geweest. Voor zover appellant de percelen in eigendom heeft, geldt verder dat uit de Gecombineerde Opgave 2016-2019 blijkt dat het tot de normale bedrijfsvoering van appellant behoort om de percelen bij derden in gebruik te geven. Verweerder handhaaft dan ook zijn eerder ingenomen standpunt dat het bedrijf van appellant niet grondgebonden is, en dat het verschil tussen het op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw berekende fosfaatrecht en de vastgestelde fosfaatruimte in 2015 toepassing van de generieke korting rechtvaardigt. 6.3.1 Niet is aangetoond dat appellant onomkeerbare verplichtingen is aangegaan op basis van vervangingsbesluit I. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het verbouwingsplan al voor het nemen van vervangingsbesluit I bestond. Dit blijkt uit de datering van diverse stukken, zoals de offertes van de aannemer en de verleende Nbw-vergunning en omgevingsvergunning. De stelling dat de (nieuw)bouw van de stallen enkel was gebaseerd op toekenning van 10.124 kg fosfaatrechten volgt verweerder dan ook niet. Daarnaast is onduidelijk door wie de aanneemovereenkomsten zijn afgesloten; er is sprake van verschillende adressen ( […] ) en verschillende bedrijven (Melkveebedrijf [naam 1] en [naam 3] ), waarvan de heer [naam 2] eigenaar dan wel vennoot is. [naam 4] , waar de aanneemovereenkomsten aan gericht zijn, kan wijzen op [naam 2] (eigenaar van appellant en vennoot in [naam 3] ) of op [naam 5] (een vennoot in [naam 3] ). Verder is (uit luchtfoto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.