uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 19/415 en 19/734 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2020 op de hoger beroepen van: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (de minister) (gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman), en [naam 1] V.O.F., te [plaats] , ( [naam 1] ) (gemachtigde: J.J. Borst). tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2019, kenmerk ROT 17/7209, in het geding tussen [naam 1] en de minister. Procesverloop in hoger beroep Bij telefax van 11 maart 2019 heeft een jurist bij het team bezwaar en beroep van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit “namens de minister van Economische Zaken, Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit” (minister van Economische Zaken) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:1064, de aangevallen uitspraak). Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd onder zaaknummer 19/415. [naam 1] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Dit incidenteel hoger beroep is bij het College geregistreerd onder zaaknummer 19/734. [naam 1] en de minister hebben op elkaars hogerberoepschriften gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] . [naam 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 1] . Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.2 De minister heeft aan [naam 1] een boete opgelegd omdat [naam 1] desgevraagd niet alle relevante informatie middels het voedselketeninformatieformulier (VKI-formulier) heeft verstrekt aan de bevoegde autoriteiten. Volgens de minister heeft [naam 1] niet voldaan aan artikel 4, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage I, deel A, zevende lid, van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening 852/2004) en heeft [naam 1] daarmee artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten overtreden. 1.3 De minister heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 31 maart 2017 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. Uit dit rapport volgt dat een keuringsdierenarts op een slachterij op 16 maart 2017 aan de toezichthouder heeft gemeld dat bij een rund een spuitplek is aangetroffen, terwijl op het VKI-formulier hierover niets vermeld stond. Het betrof een rund van [naam 1] . Vervolgens heeft de toezichthouder nader onderzoek gedaan en daarbij het bedrijf van [naam 1] bezocht en het logboek waarin de diertoepassing van diergeneesmiddelen worden genoteerd ingezien. Uit het logboek en de verklaringen van vennoot [naam 3] bleek dat het rund met diergeneesmiddelen was behandeld. De toezichthouder stelt in het rapport van bevindingen vast dat op het VKI-formulier de vragen 2 en 3 (“Zijn de dieren in de 35 dagen voorafgaande aan de slacht ziek geweest en/of behandeld geweest met diergeneesmiddelen?” en “Zijn de dieren behandeld met diergeneesmiddelen waarvan de wachttermijn voor vlees in de 7 dagen voorafgaande aam de slacht is verlopen?”) met “Nee” zijn beantwoord. Volgens de toezichthouder hadden deze vragen met “Ja” beantwoord moeten worden omdat uit het logboek blijkt dat het rund op 27 februari 2017 met Diatrim en Novem is behandeld en [naam 3] heeft verklaard dat hij waarschijnlijk op 25 en 26 februari 2017 het rund heeft behandeld met calcium magnesium, op 27 en 28 februari 2017 en 1 en 2 maart 2017 met Diatrim en op 27 februari 2017 met Novem. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen, de boete vastgesteld op € 1.250,- en de uitspraak in de plaats doen treden van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres [naam 1] moet worden gelezen. “3.1. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres het VKI-formulier niet goed heeft ingevuld en dus de overtreding heeft begaan. Eiseres heeft evenwel diverse omstandigheden aangevoerd die volgens haar maken dat met een waarschuwing had moeten volstaan dan wel dat de boete had moeten worden gehalveerd. Ter zitting heeft de minister onbetwist gesteld dat er geen wettelijke basis is om bij deze overtredingen een waarschuwing te geven in plaats van een boete. De rechtbank zal hierna bezien of de minister aanleiding had moeten zien om de boete te matigen tot nihil of te halveren. 3.2. De aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 3 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:355) vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of - in dit geval - de ingevolge de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. 3.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor de conclusie dat de boete op nihil had moeten worden gesteld. Eiser heeft het VKI-formulier onjuist ingevuld en voor de boeteoplegging is niet relevant of eiseres dit bewust heeft gedaan, maar of eiseres kan worden verweten het formulier onjuist te hebben ingevuld. De door eiseres beschreven wijze waarop het invullen van het formulier verkeerd is gegaan, acht de rechtbank voorstelbaar, maar dat maakt nog niet dat eiseres geen verwijt treft. Van eiseres mag worden verwacht dat zij als veehouderij op de hoogte is van de geldende regels voor het aanbieden van een dier voor de slacht en daarmee op de hoogte is van de informatie die op een VKI-formulier moet worden verstrekt. Dat de CRV veemanager app de vragenlijst die behoort bij het VKI-formulier niet weergaf, zoals eiseres stelt, biedt ook geen aanleiding om de boete tot nihil te matigen, omdat het gebruik van deze applicatie, die niet afkomstig is van de minister, voor rekening en risico van eiseres dient te komen. Ten slotte is de stelling van eiseres dat haar bedrijfsvoering, administratie en logboekregistratie op orde was, ook geen reden om de boete op nihil te stellen. 3.4. Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt het boetebedrag gehalveerd als de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken. Anders dan eiseres stelt is de minister in het bestreden besluit wel ingegaan op het betoog dat er geen gevaar voor de volksgezondheid was. Volgens de minister is geen sprake van de situatie als bedoeld in artikel 2.3, aanhef en onder a, gelet op het belang voor de volksgezondheid dat de VKI-informatie juist en volledig is; het onjuist invullen van het VKI-formulier kan tot gevolg hebben dat een dier ten onrechte geschikt wordt verklaard voor de menselijke consumptie. Dit betreft evenwel een gevolg dat een dergelijke overtreding in het algemeen met zich mee kan brengen, terwijl de rechtbank artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren zo begrijpt dat het gaat om de risico’s of de gevolgen van de overtreding in het betreffende concrete geval. De risico’s en gevolgen die een dergelijke overtreding in het algemeen met zich zou kunnen meebrengen zijn immers al verdisconteerd in de boetecategorieën die per soort overtreding worden toegekend in de Bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. Kijkend naar de directe gevolgen van de overtreding die hier aan de orde is, dan is niet in geschil dat eiseres de wachttermijnen van de medicijnen in acht heeft genomen alvorens de koe ter slacht aan te bieden en dat de koe is goedgekeurd voor menselijke consumptie. Voorts heeft de minister niet (gemotiveerd) gesteld dat desondanks in dit concrete geval de overtreding wel concrete gevolgen voor de volksgezondheid heeft gehad. Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank voldoende aannemelijk dat de risico’s of gevolgen van het onjuist invullen van het VKI-formulier voor de volksgezondheid in dit concrete geval gering zijn of ontbreken. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister dan ook, gelet op artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, aanleiding moeten zien de boete te halveren.” Ontvankelijkheid 3.1 [naam 1] heeft in haar reactie op het bij telefaxbericht van 11 maart 2019 ingestelde hoger beroep aangevoerd dat dit volgens haar namens de minister van Economische Zaken ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [naam 1] heeft er hiertoe op gewezen dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank is gedaan tussen de partijen [naam 1] en de minister, zodat de minister van Economische Zaken partij noch belanghebbende is bij de aangevallen uitspraak. 3.2 Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat sprake is van een kennelijke verschrijving, wat blijkt uit het feit dat het hogerberoepschrift is toegestuurd op briefpapier van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het feit dat het ministerie van Economische Zaken thans niet meer bestaat. 3.3 Op grond van artikel 8:104 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan bevoegd tot het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 februari 2019. Het betrokken bestuursorgaan is in dit geval de minister. Het College is van oordeel dat de minister moet worden geacht bij genoemd telefaxbericht van 11 maart 2019 hoger beroep te hebben ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het College acht het aannemelijk dat als gevolg van een kennelijke vergissing in de bij telefaxbericht van 11 maart 2019 ingezonden brief door de betrokken jurist van de NVWA is vermeld dat hij hierbij hoger beroep heeft ingesteld “namens de minister van Economische Zaken” in de plaats van de minister. Hierbij is van belang dat genoemde brief en het begeleidende telefaxbericht waarbij deze brief is ingezonden zijn opgesteld op briefpapier van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Beoordeling van het hoger beroep van de minister 4.1 De minister heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat het overtreden voorschrift zich naar zijn aard niet voor halvering van het boetebedrag leent, omdat het gaat om gegevens die een bewijsfunctie hebben voor andere voorschriften en die noodzakelijk zijn om aan te tonen dat andere voorschriften zijn nageleefd. Het gaat hier volgens de minister om een algemene norm waaraan iemand wel of niet voldoet. De risico’s of gevolgen voor de volksgezondheid of het dierenwelzijn hebben hier slechts een indirecte rol. Subsidiair heeft de minister zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om op grond van artikel 2.3, onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (het Besluit handhaving) de boete te halveren, aangezien het risico voor de volksgezondheid niet gering of afwezig is. Ter beoordeling van mogelijke risico’s voor de voedselveiligheid en volksgezondheid is het van groot belang dat een VKI-formulier juist wordt ingevuld, aldus de minister. De minister wijst er hierbij op dat enerzijds de toezichthoudend dierenarts aan de hand van de informatie op het VKI-formulier dient te beoordelen of het karkas en de uier goedgekeurd kunnen worden voor menselijke consumptie of dat er aanvullend onderzoek nodig is, alvorens hij kan beoordelen of er risico’s zijn voor de volksgezondheid en dat anderzijds het slachthuis op grond van die informatie moet beoordelen of het slachtproces moet worden aangepast, gelet op de extra risico’s die het dier kan opleveren voor de hygiëne in het bedrijf en het vlees. 4.2 [naam 1] voert in haar reactie op het hoger beroep van de minister aan dat uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3 van het Besluit handhaving blijkt dat de wetgever bij het vaststellen van de hoogte van de boetes al rekening heeft gehouden met de potentieel ernstige gevolgen van overtredingen die worden bestraft met het opleggen van een boete. Niettemin geeft de wetgever tevens aan dat in specifieke gevallen een halvering van de boete kan plaatsvinden, namelijk wanneer er feitelijk geen of slechts geringe gevolgen zijn voor de volksgezondheid, de diergezondheid, dierenwelzijn of milieu. De wetgever sluit noch in artikel 2.3 van het Besluit handhaving noch in de parlementaire geschiedenis artikelen uit van de mogelijkheid tot halvering op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving. Er is daarom ook geen reden om het onjuist invullen van het VKI-formulier reeds naar zijn aard uit te sluiten van de mogelijkheid om dit voorschrift toe te passen, aldus [naam 1] . Wat betreft de risico’s voor de volksgezondheid door het onjuist invullen van het VKI-formulier stelt [naam 1] dat van dergelijke risico’s geen sprake is, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.