beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 18/51, 18/706, 18/1027 en 18/1622 beslissing tot heropening van het onderzoek in de hoger beroepen van: 1 [naam 1] , te [plaats 1] , appellant sub 1, (gemachtigde: J.A. Rietveld) tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 november 2017, kenmerken SGR 17/1268 en SGR 17/1271, in de gedingen tussen appellante sub 1 en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken; hierna ook de minister of de staatssecretaris) (gemachtigden: mr. M. Leegsma en mr. A.H. Spriensma-Heringa), 2Maatschap [naam 2] , te [plaats 2] , appellante sub 2, (gemachtigde: ing. P.J. Houtsma) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 maart 2018, kenmerk AWB 16/5110, in het geding tussen appellante sub 2 en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken) (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa), 3Maatschap [naam 5] en [naam 6] , te [plaats 3] , appellante sub 3, (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 april 2018, kenmerk LEE 15/4552, in het geding tussen appellante sub 3 en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken) (gemachtigden: mr. M. Leegsma en mr. A.H. Spriensma-Heringa), 4 [naam 7] V.O.F., te [plaats 4] , appellante sub 4, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2018, kenmerk BRE 17/6613 WET, in het geding tussen appellante sub 4 en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken) (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa), appellanten sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 hierna ook gezamenlijk te noemen: appellanten. Procesverloop 18/51 Appellant sub 1 heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 november 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:14124). De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Op 22 oktober 2019 heeft het College een regiezitting gehouden, waarbij naast deze zaak ook elf andere zaken aan de orde zijn gesteld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen mr. H.J. Kram. De minister heeft een aanvullende reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Appellant sub 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. 18/706 Appellante sub 2 heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 maart 2018 (niet gepubliceerd). Op 22 oktober 2019 heeft het College een regiezitting gehouden, waarbij naast deze zaak ook elf andere zaken aan de orde zijn gesteld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen mr. H.J. Kram. De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Op 18 april 2019 heeft de minister een herziene beslissing op bezwaar genomen. Appellante sub 2 heeft op 1 juli 2019, 18 september 2019, 23 oktober 2019 en 12 juli 2020 aanvullende gronden ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2020. Namens appellante sub 2 zijn verschenen [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 18/1027 Appellante sub 3 heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 april 2018 (niet gepubliceerd). De minister heeft op 6 mei 2019 een herziene beslissing op het bezwaarschrift genomen. Op 22 oktober 2019 heeft het College een regiezitting gehouden, waarbij naast deze zaak ook elf andere zaken aan de orde zijn gesteld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen mr. H.J. Kram. De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Namens appellante sub 3 is verschenen [naam 6] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Tevens is aan de zijde van appellante sub 3 verschenen [naam 10] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. 18/1622 Appellante sub 4 heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2018 (ECLI:NL:RBZWB:2018:3700). Op 22 oktober 2019 heeft het College een regiezitting gehouden, waarbij naast deze zaak ook elf andere zaken aan de orde zijn gesteld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen mr. H.J. Kram. De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2020. Namens appellante sub 4 zijn verschenen [naam 8] en [naam 9] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen [naam 11] , inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). 18/51, 18/706, 18/1027 en 18/1622 Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen 1. Het College is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heropent daarom het onderzoek. 2. De minister heeft appellanten boetes (hierna ook: de boetes) opgelegd wegens overtreding van (voor zover hier van belang) artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). De hoogte van de boetes bedraagt (thans nog): - € 11.246,67 ( controlejaar 2013) en € 2.229,41 (controlejaar 2014) (appellant sub 1); - € 37.341,50 ( appellante sub 2); - € 91.517,50 ( appellante sub 3); - € 9.218,47 ( appellante sub 4). 3. Appellanten hebben zich beroepen op de uitspraken van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652, 653 en 654) (hierna: de uitspraken van 18 december 2018). Het College heeft in de uitspraak die is gepubliceerd met het ECLI-nummer ECLI:NL:CBB:2018:653 voor zover hier van belang als volgt overwogen (waarbij voor “verweerder” moet worden gelezen: de minister): 5.3 Zowel bij de toepassing van artikel 14 als bij die van artikel 7, gelezen in samenhang met artikel 8, van de Msw speelt de bepaling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in mest een rol bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een beboetbare overtreding en wat de omvang daarvan is. Dit brengt mee dat hetgeen over de bepaling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in mest is overwogen in de uitspraak van het College van heden in de zaak 15/382 onder 5.1.1 tot en met 5.1.13 (ECLI:NL:CBB:2018:652) evenzeer van betekenis is voor de onderhavige zaak. Voorts is het College van oordeel dat ook bij de artikelen 7 en 8 van de Msw voldoende voorzienbaar is welk gedrag tot beboeting leidt, en dat ten aanzien van de artikelen 7 en 8 van de Msw op zichzelf geen sprake is van strijdigheid met de onschuldpresumptie. Het College verwijst naar hetgeen in de zojuist genoemde uitspraak ten aanzien van artikel 14 van de Msw onder 5.2.1 tot en met 5.3 is overwogen. 5.4 Appellant heeft, ook nu het hier gaat om een bestuurlijke boete wegens een gestelde overtreding van de artikelen 7 en 8 van de Msw, in lijn met het in de onder 5.3 genoemde uitspraak onder 5.4 en 5.5 overwogene, aanspraak erop dat ook hij vanaf het moment dat hem wordt medegedeeld dat ten aanzien van hem het opleggen van een boete wordt voorgenomen, reeds in het kader van dat voornemen op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van de (tolerantie-, zekerheids- of handhavings)marges (hierna: marges). De verdachte veehouder heeft naar het oordeel van het College dan nog voordat daadwerkelijk een boete wordt opgelegd een redelijke mogelijkheid om zich tegen het vermoeden van onregelmatige afvoer te verweren door de feiten te betwisten die eraan ten grondslag zijn gelegd (de accuratesse van de forfaits, schattingen, en monsterneming en analyse (bijvoorbeeld door het vragen van heranalyse of het doen uitvoeren van een contra-expertise)) en/of andere feiten te stellen - en bij betwisting aannemelijk te maken - die redelijke twijfel wekken aan de juistheid van dat vermoeden. Het College is van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Het in de vorige zin overwogene geldt dus ook indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van deze uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na deze uitspraak voert. 5.5 Voor zover verweerder ook in deze zaak, mutatis mutandis, het verweer heeft opgeworpen dat de door hem gehanteerde marges niet zien op het wegnemen van onzekerheid die uit de norm zelf zou voortvloeien maar op het bewijs van de naleving van, hier, de artikelen 7 en 8 van de Msw, kan hem dat ook hier niet baten, reeds omdat de afwezigheid (in het kader van het voornemen tot het opleggen van een boete) van inzicht in de omvang en toepassing van deze marges, hoe ook bedoeld, betrokkene de kans ontneemt om de ter zake aangevoerde gronden toereikend en nog voordat het tot een daadwerkelijke boeteoplegging komt, te toetsen. 4.1 De minister stelt zich op het standpunt dat de uitspraken van 18 december 2018 onverlet laten dat hij bevoegd is tot het opleggen van de boetes voor zover deze zijn tot stand gekomen zonder toepassing van geheime marges (hierna ook: de marges). Het College onderscheidt de door de minister in dit verband gevoerde verweren als volgt. Verweer i): met betrekking tot gevallen waarin bij de berekening van het gebruik van meststoffen in het kader van één of meer gebruiksnormen geen marge is toegepast en die gebruiksnorm(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.