uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 18/1664 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaak tussen Chugoku Paints B.V, te Fijnaart, appellante (gemachtigde: drs. A. Koster), het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) verweerder (gemachtigde: mr. M.K. Konings). Procesverloop Bij besluiten van 8 december 2017 heeft het Ctgb aan appellante toelatingen verleend voor de biociden Sea Grandprix 1000 L, Sea Grandprix 2000 en Sea Grandprix Mark II, alle op basis van de werkzame stoffen koperpyrithion en dikoperoxide (de primaire besluiten). Bij besluit van 25 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft het Ctgb de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en de primaire besluiten gewijzigd. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover haar bezwaren ongegrond zijn verklaard. Het Ctgb heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft daarna haar beroepschrift aangevuld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ctgb heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. L.W.M. Bruinings-de Boer en drs. A.G.A. Welten. Overwegingen Inleiding 1.1 Appellante heeft in oktober 2016 het Ctgb gevraagd om toelatingen voor het op de Nederlandse markt brengen van de biociden Sea Grandprix 1000 L, Sea Grandprix Mark II en Sea Grandprix 2000. Het gaat om aangroeiwerende verf voor – kortweg – zeegaande schepen. In de aanvragen heeft appellante als werkzame stoffen vermeld dikoperoxide en koperpyrithion en het gehalte van deze stoffen in de producten. 1.2 Het Ctgb heeft voor deze biociden toelatingen verleend en daarbij een aantal voorschriften vastgesteld, waaronder etiketteringsvoorschriften. Deze etiketteringsvoorschriften heeft het Ctgb gebaseerd op de indeling in gevarenklasse en -categorie volgens de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP-verordening). Deze indeling wordt aangegeven met een zogenoemde gevarenaanduiding die bestaat uit letters en cijfers. Aan de gevarenaanduidingen zijn zinnen verbonden die op de verpakking van de middelen met deze werkzame stof vermeld moeten worden. Voor deze beroepszaak zijn de volgende in de toelatingsbesluiten vastgestelde gevarenaanduidingen en de daarbij behorende etiketteringszinnen relevant: Sea Grandprix 1000 L : Gevarenaanduiding H332 Schadelijk bij inademing Sea Grandprix Mark II: Gevarenaanduiding H332 Schadelijk bij inademing Sea Grandprix 2000 : Gevarenaanduiding H332 Schadelijk bij inademing Gevarenaanduiding H361d Kan het ongeboren kind schaden 1.3 Bij de aanvragen van de toelatingen heeft appellante veiligheidsinformatiebladen gevoegd met gegevens over de in de biociden verwerkte stoffen en mengsels, waaronder gevarenaanduidingen. Deze veiligheidsinformatiebladen komen van de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker (hierna kortweg aangeduid als fabrikant) van de stof of het mengsel. Voor stoffen of mengsels waarvoor geen op grond van de CLP-verordening geharmoniseerde indeling geldt, deelt de fabrikant de stof of het mengsel zelf in naar gevarenklasse en categorie en bepaalt op basis daarvan de gevarenaanduiding. De werkzame stof dikoperoxide is opgenomen in Bijlage VI, deel 3, van de CLP-verordening. Daarvoor geldt een geharmoniseerde classificatie en etikettering volgens de CLP-verordening. De werkzame stof koperpyrithion is nog niet geharmoniseerd in de CLP-verordening. 1.4 Voor het opnemen van de gevarenaanduidingen H322 en H361d in de toelatingsbesluiten heeft het Ctgb niet de gevarenaanduidingen overgenomen van de door appellante bij de toelatingsaanvragen gevoegde veiligheidsinformatiebladen. Het Ctgb heeft deze gevarenaanduidingen zelf bepaald. Het Ctgb meent daartoe bevoegd te zijn op grond van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees parlement en de raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (Biocidenverordening). Het Ctgb heeft de gevarenaanduidingen bepaald aan de hand van de CLP-verordening. Aan Sea Grandprix 2000 heeft het Ctgb de gevarenaanduiding H361d gegeven op basis van het Active Substance Assessment Report van september 2014 dat Zweden als rapporteur-lidstaat heeft uitgebracht in het kader van de goedkeuringsprocedure voor de toepassing in biociden van de werkzame stof koperpyrithion (Assessment Report) en de opinie van het Biocide Product Commitee (BPC-opinie), waarin voor biociden met de werkzame stof koperpyrithion classificatie- en etiketteringsvoorschriften zijn gegeven. De gevarenaanduiding H332 voor Sea Grandprix 1000 L, Sea Grandprix 2000 en Sea Grandprix Mark II heeft het Ctgb daarnaast ook gebaseerd op eigen berekeningen aan de hand van de richtsnoeren die het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) heeft gegeven in de Guidance on the Application of the CLP Criteria, version 5.0, July 2017 (Guidance). 1.5 Appellante is het niet eens met de indeling van het Ctgb en de daaruit voortvloeiende verplichting om de gevaarzinnen “Schadelijk bij inademing” en/of “Kan het ongeboren kind schaden” op de etiketten te vermelden. Volgens appellante moet het Ctgb op grond van het systeem van de CLP-verordening voor de aan de toelatingen verbonden etiketteringsvoorschriften uitgaan van de gevarenaanduidingen in de veiligheidsinformatiebladen van de fabrikant en is het Ctgb niet bevoegd om zelf de gevarenaanduidingen te bepalen. Voor het geval dat het Ctgb wel zou mogen afwijken van de indeling van de fabrikant, stelt appellante dat er geen reden is om van die indeling af te wijken, omdat de veiligheidsinformatiebladen gebaseerd zijn op de actuele stand van de wetenschap en de eigen indeling van het Ctgb onjuist is, omdat het Ctgb daarbij is uitgegaan van onjuiste veronderstellingen en foute berekeningen. Bevoegdheidsgrondslag 2.1 Ten eerste voert appellante aan dat het door het Ctgb zelf vaststellen van gevarenaanduidingen, in plaats van de indeling van de fabrikant te volgen, in strijd is met het systeem van de CLP-verordening. Appellante bestrijdt niet dat de Biocidenverordening van toepassing is, maar stelt dat de Biocidenverordening de CLP-verordening onverlet laat. In de CLP-verordening is het classificeren overgelaten aan de fabrikanten van de stoffen en mengsels. Het Ctgb kan daarom niet aan de Biocidenverordening de bevoegdheid ontlenen om zelf een gevarenaanduiding vast te stellen. Het Ctgb mag alleen marginaal beoordelen of de indeling van de fabrikant in overeenstemming is met de CLP-verordening. Het Ctgb mag pas zelf indelen als hij heeft aangetoond dat de indeling van de fabrikant onjuist is. Om fouten bij het indelen te voorkomen zou het Ctgb daarover eerst moeten overleggen met de aanvrager. Appellante stelt dat afwijken van de indeling van de fabrikant de interne integriteit van de CLP-verordening doorbreekt en ertoe kan leiden dat voor niet geharmoniseerde stoffen in verschillende landen verschillende indelingen gaan gelden. De opvatting van het Ctgb dat hij bevoegd is om zelf te classificeren is daarom in strijd met de door de CLP-verordening nagestreefde harmonisatie. Appellante stelt daarom voor om prejudiciële vragen hierover te stellen. 2.2 Het College stelt voorop dat het hier gaat om aanvragen voor toelatingen voor het op de markt brengen van biociden. Daarop is de Biocidenverordening van toepassing. Het Ctgb is bevoegd om over het toelaten van biociden te beslissen. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Biocidenverordening, waarin is bepaald dat aanvragen voor een nationale toelating worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de betreffende lidstaat, uit artikel 81, eerste lid, van de Biocidenverordening, waarin is bepaald dat de lidstaten de voor de toepassing de Biocidenverordening bevoegde autoriteit aanwijzen, en uit artikel 4, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb), waarin het Ctgb is aangewezen als de bevoegde autoriteit voor besluiten over het toelaten van biociden. 2.3 De Biocidenverordening bevat regels over gevarenaanduidingen en etikettering. Zo is in artikel 22 van de Biocidenverordening bepaald dat de toelating een samenvatting bevat van de productkenmerken met informatie over onder meer de gevarenaanduiding en veiligheidsaanbevelingen (artikel 22, tweede lid, aanhef en onder i). Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Biocidenverordening doet de aanvrager van een toelating bij de aanvraag een voorstel voor een samenvatting van de productenmerken van het biocide die, onder meer, de hiervoor genoemde informatie bevat. Over de etikettering is verder in artikel 69, eerste lid, van de Biocidenverordening het volgende bepaald: “Houders van toelatingen zorgen ervoor dat biociden worden ingedeeld, verpakt en geëtiketteerd overeenkomstig de goedgekeurde samenvatting van de productkenmerken van het biocide, met name de in artikel 22, lid 2, onder i), bedoelde gevarenaanduidingen en veiligheidsaanbevelingen, [...], en indien van toepassing, Verordening (EG) nr. 1272/2008.” 2.4 De Biocidenverordening gaat er dus vanuit dat de door appellante bij de toelatingsaanvragen ingediende veiligheidsinformatiebladen en de daarin vermelde gevarenaanduidingen een voorstel inhouden. Niet valt niet in te zien dat het Ctgb niet bevoegd zou zijn om dit voorstel te beoordelen of dat het Ctgb dit voorstel ongewijzigd zou moeten overnemen. Gelet op artikel 22, tweede lid, aanhef en onder i, en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Biocidenverordening is het Ctgb bevoegd om alleen tot toelating over te gaan onder de voorwaarde dat de juiste, door het Ctgb zelf vastgestelde gevarenaanduiding wordt gebruikt. 2.5 Het Ctgb heeft de via de veiligheidsinformatiebladen voorgestelde gevarenaanduidingen beoordeeld aan de hand van de CLP-verordening. Doel van de CLP verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu alsmede het vrije verkeer van stoffen, mengsels en voorwerpen te waarborgen door onder meer de criteria voor de indeling van stoffen en mengsels en de voorschriften voor de etikettering en verpakking van gevaarlijke stoffen en mengsels te harmoniseren en te voorzien in verplichtingen voor fabrikanten, zoals de verplichting om in de handel gebrachte stoffen en mengsels in te delen. Dit doel is omschreven in artikel 1, eerste lid, van de CLP-verordening. 2.6 In de CLP-verordening is de indeling naar gevarenklasse en -categorie van nog niet geharmoniseerde stoffen en mengsels overgelaten aan de fabrikanten. Dit blijkt uit onder meer de artikelen 4, eerste lid, en 5 en 6, van de CLP-verordening. Dit doet echter niet af aan de bevoegdheid die het Ctgb heeft op grond van de Biocidenverordening om bij het toelaten van een biocide de gevarenaanduidingen van de fabrikant niet te volgen en zelf de juiste gevarenaanduidingen vast te stellen als voorwaarde van toelating. De CLP-verordening staat de toepassing van de Biocidenverordening immers niet in de weg. Zo is in overweging 47 bij de totstandkoming van de CLP-verordening vermeld dat – de destijds nog van toepassing zijnde voorganger van de Biocidenverordening – Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (Biocidenrichtlijn), onverkort van toepassing moet blijven op de onder de werkingssfeer van die richtlijn vallende producten. In dit verband wijst het College ook op artikel 15, vijfde lid, van de CLP-verordening. Hierin is, voor zover voor deze zaak relevant, bepaald: “Evaluatie van de indeling van stoffen en mengsels [...] 5. Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel zijn, ingeval de stof of het mengsel onder het toepassingsgebied van [...] Richtlijn 98/8/EG valt, de voorschriften van die richtlijnen eveneens van toepassing.” In de CLP-verordening wordt ook nog in artikel 25, tweede lid en artikel 30, derde lid, verwezen naar de Biocidenrichtlijn of daaraan voorafgaande richtlijnen. Ook hieruit blijkt dat bij classificeren en etiketteren niet aan de Biocidenverordening voorbijgaan gegaan kan worden. 2.7 Andersom wordt, zoals hiervoor weergegeven onder 2.3, in de Biocidenverordening ook verwezen naar de CLP-verordening. Uit de verwijzingen in de Biocidenverordening en de CLP-verordening naar elkaar blijkt dat de Europese wetgever zich er rekenschap van heeft gegeven dat beide verordeningen regels geven voor de classificatie en etikettering van op de markt te brengen biociden. Er is dan ook geen twijfel over dat de CLP-verordening de Biocidenverordening onverlet laat en dat de Biocidenverordening onverkort van toepassing is op de toelating van biociden. Met de toepassing van de Biocidenverordening wordt de door de CLP-verordening nagestreefde harmonisatie niet doorkruist, omdat de CLP-verordening zelf de mogelijkheid openlaat dat een nog niet geharmoniseerde stof of mengsel door verschillende fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers verschillend kan worden ingedeeld. Nu er over dit geschilpunt sprake is van een helder stelsel van Europese rechtsregels, bestaat er voor het College geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen. 2.8 Het betoog van appellante dat het Ctgb op grond van de CLP-verordening gehouden zou zijn om in de toelatingen de gevarenaanduidingen van de veiligheidsinformatiebladen over te nemen slaagt dus niet. Datzelfde geldt voor het betoog dat het Ctgb zich zou moeten beperken tot het marginaal controleren van de indeling van de fabrikant op de veiligheidsinformatiebladen. Het Ctgb is immers niet de bevoegde instantie om de naleving van de CLP-verordening te handhaven. Actuele stand van de wetenschap 3.1 Appellante bestrijdt het standpunt van het Ctgb dat de gevarenaanduiding in het veiligheidsinformatieblad niet gebaseerd zou zijn op de actuele stand van de wetenschap. Het Ctgb gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat de fabrikant zich moet baseren op alle beschikbare informatie. Op grond van de artikelen 5 en 15 van de CLP-verordening hoeft de fabrikant alleen die informatie te betrekken die hij adequaat en betrouwbaar vindt. Omdat het Assessment Report, waarop het Ctgb de gevarenaanduiding en H332 en H361d onder meer baseert, geen algemeen geaccepteerde wetenschappelijke inzichten bevat heeft de fabrikant het niet bij de indeling van de werkzame stof koperpyrithion betrokken. Het Assessment Report heeft weliswaar aan de basis gelegen van een harmoniseringsvoorstel van Zweden aan het Risk Assessment Committee (RAC), maar dat voorstel is ingetrokken en er is tot op heden geen nieuw voorstel ingediend. Een advies van het RAC heeft volgens appellante een beperkte wetenschappelijke status. Een door het RAC voorgestelde indeling leidt ook niet noodzakelijkerwijs tot de voorgestelde geharmoniseerde indeling, zoals blijkt uit een advies van de Belgische Hoge Gezondheidsraad over een andere antifoulingverf om biologische afbreekbaarheid van dikoperoxide niet mee te wegen in de evaluatie van H332. Daarom mag het Ctgb het Assessment Report niet gebruiken voor zijn eigen indeling. De veiligheidsbladen van de fabrikant zijn van 2016 en dus recenter dan het Assessment Rapport uit 2014. 3.2 Voor de indeling van het niet-geharmoniseerde koperpyrithion gelden op grond van artikel 4, eerste lid, van de CLP-verordening de criteria van titel II van de CLP-verordening. Uit de onder deze titel vallende artikelen 5 en 15 van de CLP-verordening volgt dat de veiligheidsinformatiebladen moeten worden opgesteld aan de hand van de laatste stand van de wetenschap. In artikel 5, eerste lid, van de CLP-verordening is, voor zover relevant, bepaald: “Inventarisatie en bestudering van de over stoffen beschikbare informatie 1. Fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers van een stof inventariseren de relevante beschikbare informatie om te bepalen of aan de stof een materieel, gezondheids- of milieugevaar verbonden is zoals omschreven in bijlage I, en met name de volgende informatie: [...]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.