uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/859 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: R. Scholten), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes). Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Op 23 maart 2018 heeft verweerder van appellante een melding bijzondere omstandigheden ontvangen. Bij besluit van 1 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht van appellante opnieuw vastgesteld. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante is tevens verschenen haar maat [naam 2] . Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het verweerschrift. Appellante heeft een schriftelijke reactie en een aanvulling daarop ingediend. Verweerder heeft schriftelijk op deze stukken gereageerd. Appellante heeft daar vervolgens weer schriftelijk op gereageerd. Beide partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder nadere zitting. Het College heeft daarop het onderzoek gesloten. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. 1.2 Ingevolge artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) wordt het fosfaatrecht verminderd met 8,3% (de generieke korting). Uit het tweede lid van deze bepaling volgt dat die korting niet wordt toegepast als de fosfaatproductie in het kalenderjaar 2015, kleiner of gelijk aan de fosfaatruimte in dat kalenderjaar is (de situatie van grondgebondenheid). Uit het derde lid volgt dat bij de toepassing van het percentage, bedoeld in het eerste lid, het fosfaatrecht slechts wordt verminderd voor zover een gehele uitoefening van het fosfaatrecht de fosfaatruimte in het kalenderjaar 2015 van dat bedrijf te boven gaat. 1.3 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder ll, sub 1, van de Msw is fosfaatruimte de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar op of in de tot het desbetreffende bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond mag worden gebracht. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, van de Msw, is de toegestane hoeveelheid fosfaat per hectare en hangt af van de fosfaattoestand van de bodem. In de Msw worden voor de fosfaattoestand van de bodem drie fosfaatklassen onderscheiden, te weten ‘laag’, ‘neutraal’ en ‘hoog’. 1.4 Ingevolge artikel 103a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt de fosfaattoestand van de bodem vastgesteld door een geaccrediteerd laboratorium door middel van bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol. Ingevolge het tweede lid stelt het laboratorium een analyserapport op dat – voor zover hier van belang – in ieder geval de exacte locatie van het bemonsterde perceel dan wel de delen van het perceel, vastgesteld met behulp van GPS-gegevens, bevat. 1.5 In het in Bijlage L opgenomen protocol is – voor zover hier van belang – vermeld dat de vormbepalende hoekpunten van het perceel gemarkeerd moeten worden en dat met een GPS de omvang en vorm van het perceel vastgelegd moeten worden. Bij niet-rechthoekige percelen, dan wel perceelsdelen, worden zoveel extra punten meegenomen dat de contouren ervan vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. Feiten 2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op de peildatum, 2 juli 2015, hield appellante 107 melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee. Op 15 mei 2015 heeft appellante haar gecombineerde opgave (GO) gedaan, waaruit volgt dat zij beschikt over 19 percelen, waarvan 15 percelen grasland en 4 percelen bouwland. Besluiten van verweerder 3.1 Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.730 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren en de gegevens uit de GO. Verweerder heeft een korting van 480,1 kg toegepast. 3.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het beroep op de knelgevallenregeling (vanwege dierziekte) afgewezen. Uitgaande van een hogere melkproductie heeft verweerder het fosfaatrecht vastgesteld op 5.763 kg. Daarbij heeft verweerder de generieke korting van 8,3% toegepast. Beroepsgronden 4. Appellante stelt dat verweerder in het bestreden besluit van een onjuiste fosfaatruimte is uitgegaan en daarom ten onrechte de generieke korting heeft toegepast. In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat in de GO voor 9 percelen de fosfaattoestand niet is ingevuld. Zij heeft analyserapporten van Eurofins voor deze percelen overgelegd en stelt dat verweerder ten onrechte de PAL- en Pw-waarden uit deze rapporten niet heeft overgenomen. Uit het bestreden besluit blijkt verder niet met betrekking tot welke percelen verweerder stelt dat deze niet volledig zouden zijn bemonsterd en op grond waarvan verweerder deze conclusie trekt. Verweerder heeft appellante ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te reageren op zijn bevindingen. Appellante betoogt daarom dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Standpunt van verweerder 5.1 Verweerder stelt vast dat de fosfaattoestand van de percelen grasland waarvoor in de GO de PAL-waarde is vermeld (de percelen 1, 2, 3, 5, 9, 10, 13, 14, 17 en 18) niet in geschil is. Verweerder heeft de overige percelen opnieuw onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat voor de percelen 4, 7, 15 en 22 de fosfaattoestand niet juist is vastgesteld. Perceel 4 moet in plaats van in ‘bouwland hoog’ worden ingedeeld in ‘bouwland laag’. De percelen 7, 15 en 22 moeten in plaats van in ‘grasland hoog’ worden ingedeeld in ‘grasland neutraal’. De overige percelen zijn volgens verweerder onvolledig bemonsterd, zodat deze percelen ongewijzigd in de categorie ‘hoog’ ingedeeld blijven. 5.2 Op basis van het voorgaande stelt verweerder de fosfaatruimte vast op 5.972,65 kg. Verweerder stelt vast dat het bedrijf van appellante niet grondgebonden is, omdat de fosfaatproductie (6.121,51
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.