← Nederland

ECLI:NL:CBB:2021:409

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 19/1183 en 19/1184 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2021 tot rectificatie van de uitspraak in de zaken tussen maatschap [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. J.L. Baar), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen), en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid). Procesverloop Het College heeft vastgesteld dat zijn uitspraak van 2 maart 2021 met zaaknummers 19/1183 en 19/1184 (ECLI:NL:CBB:2021:234) in rechtsoverweging

  1. en
  2. en onder “Beslissing” een kennelijke onjuistheid bevat. Het College heeft bij brief van 16 maart 2021 partijen bericht voornemens te zijn de uitspraak te rectificeren. Verweerder heeft op dit voornemen gereageerd. Overwegingen In rechtsoverweging
  3. en
  4. en onder “Beslissing” is bepaald dat de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) moet worden veroordeeld in de proceskosten van appellante tot het bedrag van € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1) alsmede het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante dient te vergoeden. Het College overweegt dat hier sprake is van een onjuistheid. Naar aanleiding van het met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht passeren van het door het College in rechtsoverweging
  5. geconstateerde, aan de bestreden besluiten van 24 juni 2019 klevende gebrek, had verweerder moeten worden veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten en had moeten worden bepaald dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht diende te vergoeden. Nu de uitspraak een kennelijke en voor een eenvoudig herstel vatbare onjuistheid bevat, bestaat aanleiding de uitspraak op dit punt te rectificeren. Het College wijzigt de uitspraak van 2 maart 2021, met zaaknummers 19/1183 en 19/1184, als volgt. “
  6. Het College ziet aanleiding verweerder op te dragen het door appellante betaalde griffierecht van € 345,- aan haar te vergoeden.
  7. Tot slot zal het College verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). (…) - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-.” Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl. Beslissing Het College rectificeert zijn uitspraak van 2 maart 2021 als in de overwegingen is weergegeven. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april
  8. De voorzitter is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.