uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/1454 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: ing. P.J. Houtsma), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink). Procesverloop Bij besluit van 26 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van appellante om het besluit van 16 maart 2017 over – voor zover in beroep van belang – de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2016 (de extra betaling jonge landbouwers 2016) te herzien. Bij besluit van 20 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.2 Met de Gecombineerde opgave 2015 heeft appellante – voor zover in beroep van belang – een aanvraag gedaan voor de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2015 (de extra betaling jonge landbouwers 2015). 1.3 Bij besluit van 31 mei 2016 heeft verweerder de aanvraag om de extra betaling jonge landbouwers 2015 afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 24 oktober 2016 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, maar dat beroep ingetrokken na verweerders aankondiging dat hij volledig aan appellante tegemoet zou komen. Bij besluit van 20 april 2018 heeft verweerder het besluit van 31 mei 2016 herroepen en aan appellante de extra betaling jonge landbouwers 2015 toegewezen. 1.4 Met de Gecombineerde opgave 2016 heeft appellante – voor zover in beroep van belang – een aanvraag gedaan voor de extra betaling jonge landbouwers 2016. Bij besluit van 16 maart 2017 heeft verweerder deze aanvraag van appellante afgewezen. 1.5 Op 29 mei 2019 heeft appellante gevraagd om herziening van het besluit van 16 maart 2017. Bij het primaire besluit heeft verweerder dat verzoek bij afwezigheid van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden afgewezen. 1.6 In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat het bezwaar dat zij op 7 juli 2016 heeft gemaakt tegen het besluit van 31 mei 2016 mede een vroegtijdig bezwaar is tegen het besluit van 16 maart 2017 waarop verweerder nog niet heeft beslist. 2. Verweerder verwerpt het beroep op artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bezwaar van 7 juli 2016 zich niet (ook) richt tegen de wijze van beoordelen van de aanvraag voor 2016. Bovendien kon appellante redelijkerwijs niet menen dat het pas op 16 maart 2017 geslagen besluit op 7 juli 2016 al tot stand was gekomen. Omdat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding gezien om het besluit te herzien. 3. Appellante betoogt dat het besluit over de extra betaling jonge landbouwers 2016 op 7 juli 2016 al was genomen, omdat verweerder zijn standpunt over de extra betaling voor jonge landbouwers toen al had bepaald en de besluiten over 2015 en 2016 gelijkluidend zijn. Dat het besluit over het jaar 2016 acht maanden na 7 juli 2016 is genomen, maakt dat niet anders. Daarmee richt het bezwaar van 7 juli 2016 zich mede tegen het te verwachten besluit over de extra betaling jonge landbouwers 2016. 4.1 Ingevolge artikel 6:10, eerste lid van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.