uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/605 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen [naam maatschap] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. ir. J.M.M. Kroon), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. G. Meijerink en mr. M.J.H. van der Burgt). Procesverloop Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Bij besluit van 24 april 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bij besluit van 30 april 2019 heeft verweerder het besluit van 24 april 2018 ingetrokken en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 maart 2020 heeft het College het door appellante tegen het besluit van 24 april 2018 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het tegen het besluit van 30 april 2019 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 april 2019 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Bij besluit van 8 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. Hij heeft het primaire besluit herroepen en het bezwaar gegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Namens appellante is [naam] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. 1.2 Ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw kan de minister ontheffing verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Aan de ontheffing kunnen volgens het derde lid voorwaarden worden verbonden. 1.3 Ingevolge artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) wordt het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw, verminderd met 8,3% (de generieke korting). Grondgebonden bedrijven – dit zijn bedrijven waarvan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015, verminderd met de fosfaatruimte in dat kalenderjaar, negatief of nul is – zijn uitgezonderd van de generieke korting. Ingevolge het derde lid van artikel 72b van het Uitvoeringsbesluit wordt bij toepassing van de generieke korting, het fosfaatrecht slechts verminderd voor zover een gehele uitoefening van het fosfaatrecht de fosfaatruimte in het kalenderjaar 2015 van dat bedrijf te boven gaat. 1.4 Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Feiten 2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op 17 januari 2014 heeft [naam] , één van de maten van appellante, een ernstig bedrijfsongeval gehad, waardoor hij nagenoeg blind is geraakt. In augustus 2014 was het gezichtsvermogen van [naam] weer zo goed als hersteld. Op de peildatum van 15 mei 2015 had appellante (tijdelijk) 5,24 ha van zijn grond verpacht. Besluiten van verweerder en uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven 3.1 Bij het primaire besluit, dat verweerder bij het besluit van 30 april 2019 heeft gehandhaafd, is het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.211 kg. Omdat het bedrijf niet grondgebonden is, heeft verweerder de generieke korting van 8,3% toegepast en het berekende fosfaatrecht van 4.591,90 kg met 381,13 kg gekort. Bij het berekenen van de (niet-)grondgebondenheid heeft verweerder de door appellante op 15 mei 2015 verpachte 5,24 ha grond buiten beschouwing gelaten. 3.2 In zijn uitspraak van 17 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:168; hierna: de uitspraak van 17 maart 2020), is het College tot het oordeel gekomen dat de vaststelling (in het primaire besluit) van het fosfaatrecht zonder enige vorm van compensatie, in de situatie van appellante, in strijd is met artikel 1 van het EP. Het College heeft aan dat oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat het aannemelijk is dat appellante de grond in 2014 en 2015 – en dus op de peildatum van 15 mei 2015 – tijdelijk heeft verpacht, om daarmee de arbeidsbeperkingen van [naam] op te kunnen vangen. Appellante kon bij het aangaan van de pachtovereenkomst niet bevroeden dat de tijdelijke verpachting een zodanig ingrijpend effect kon hebben. Dat zij ervoor heeft gekozen de grond te verpachten en geen andere arbeidsbesparende keuze heeft gemaakt, is bezien in dat licht niet onbegrijpelijk. Hiermee wordt de keuze van appellante om tot (tijdelijke) verpachting over te gaan navolgbaar geacht. Verder is bij de beoordeling betrokken dat de verpachting appellante nauwelijks enig voordeel heeft geboden en dat zij door tijdens de verpachting haar mest op de verpachte grond af te zetten, feitelijk in lijn met de grondgebondenheid heeft gehandeld. De door de verpachting van haar 5,24 ha grond veroorzaakte korting maakt dat appellante een individuele en buitensporige last draagt en dat haar belang hier de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel overtreft. 3.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met herroeping van het primaire besluit, het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.211 kg en met gebruikmaking van de op grond van artikel 38, tweede lid van de Msw aan hem verleende bevoegdheid, een aan het bedrijf van appellante gekoppelde ontheffing verleend voor het produceren van 85 kg fosfaat. Bij het bepalen van de omvang van de ontheffing heeft verweerder als uitgangspunt genomen dat appellante – net als andere melkveehouders – enig nadeel als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel moet kunnen dragen. Verweerder acht zich dan ook slechts gehouden om het buitensporige deel van de vastgestelde last weg te nemen en compenseert om die reden (in de vorm van het verlenen van een ontheffing) niet meer dan 50% van het berekende tekort van 169,63 kg fosfaatrechten, oftewel (afgerond) 85 kg. Beroepsgronden 4. Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte de omvang van de ontheffing heeft bepaald op 85 kg. Het (alsnog) meenemen van de 5,24 ha verpachte grond bij de berekening van de fosfaatruimte leidt tot 169,63 kg meer fosfaatrechten (4.380,4 kg – 4.210,77 kg). Het standpunt van verweerder dat appellante enig nadeel als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel moet dragen en dat hij daarom op de berekende ontheffing van 169,63 kg een korting van 50% heeft toegepast, vindt appellante onredelijk en niet in lijn met de uitspraak van 17 maart 2020. Appellante wijst er in dit verband op dat zij al nadeel draagt als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel, namelijk de op het berekende fosfaatrecht toegepaste korting van 211,5 kg over dat deel van het bedrijf dat niet grondgebonden is. Verder stelt appellante dat uit het door het College in de uitspraak van 17 maart 2020 gegeven oordeel volgt dat de onevenredigheid daarin schuilt dat gegeven de omstandigheden elke korting op het fosfaatrecht voor de verpachte grond onevenredig is en voor appellante een buitensporige last oplevert. Verweerder had dan ook met inachtneming van de uitspraak van 17 maart 2020 de omvang van de ontheffing moeten bepalen op (afgerond) 170 kg. Voor een oordeel over de (de mate van) buitensporigheid was voor verweerder geen ruimte meer nu dat oordeel al door het College was gegeven, aldus appellante. Standpunt van verweerder 5.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omvang van de ontheffing in het bestreden besluit op de juiste wijze is vastgesteld en motiveert dit als volgt. 5.2 Het College heeft in zijn uitspraak van 17 maart 2020 geoordeeld dat appellante ‘in ieder geval tot op zekere hoogte moet worden gecompenseerd’ voor de op haar rustende individuele en buitensporige last en dat het op de weg van verweerder ligt om te bepalen in welke (vorm
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.