COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/129 uitspraak met toepassing van de artikelen 8:54 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 in de zaak tussen [naam BV] , te [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. J. van Groningen), en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en aan verzoeker een gewijzigde last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 10 december 2020 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen en het primaire besluit herroepen. Bij brief van 21 januari 2021 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de beroepsprocedure. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan aan de indiener daarvan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.
- Het College stelt vast dat het beroep is ingetrokken, omdat verweerder aan verzoekster tegemoet is gekomen.
- Gelet hierop komt het verzoek om kostenveroordeling voor toewijzing in aanmerking en veroordeelt het College verweerder met toepassing van artikel 8:75a Awb in de kosten van de beroepsprocedure. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden de kosten bedoeld in artikel 1, onder a, vastgesteld op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).
- Het College merkt nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 354,- te vergoeden voor verweerder rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, Awb. Beslissing Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van F.L. van Haeften, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli
- w.g. D. Brugman w.g. F.L. van Haeften Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.