uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/141 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2021 in de zaak tussen [naam maatschap] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. S.A. Coster), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink). Procesverloop Bij besluit van 5 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Bij besluit van 13 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei
(2019), is bepaald dat voor de toepassing van artikel 32, derde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geen sprake is van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten, indien de duur van de niet-landbouwactiviteiten op een landbouwareaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet overschrijdt; evenmin is er sprake van noemenswaardige hinder indien op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van subsidieregelingen ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten, mits de landbouwgrond na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid. In artikel 2.2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, zoals geldend ten tijde van belang, is bepaald dat het criterium waaraan de landbouwer dient te voldoen om een landbouwareaal in een staat te houden die begrazing of teelt mogelijk maakt, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is het jaarlijks, vóór 1 november, maaien van het areaal, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten niet aan dit criterium kan voldoen, in welk geval het areaal ten minste één keer per twee jaar vóór 1 november wordt gemaaid. 3.3 Tussen partijen is niet in geschil dat het desbetreffende perceel valt onder een agrarisch natuurpakket voor plasdras op grond waarvan appellante verplicht was het perceel in de periode van 15 februari tot 15 juni onder water te laten staan. Appellante heeft onweersproken gesteld dat het plasdrasgedeelte van het perceel na 15 juni niet meer is bevloeid. De vraag die partijen verdeelt houdt is of het door verweerder afgekeurde plasdrasgedeelte van het perceel na afloop van de activiteiten weer in een staat verkeerde waarin begrazing of teelt mogelijk is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii van Verordening 1307/
- 3.4 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het door hem afgekeurde gedeelte wel landbouwareaal is, maar dat op dit gedeelte geen landbouwactiviteiten zijn uitgevoerd. Volgens verweerder heeft appellante niet bewezen dat zij de grond heeft ingezaaid. Uit het door verweerder overgelegde en ter zitting digitaal getoonde en met partijen besproken beeldmateriaal blijkt het volgende. De luchtfoto van 28 juli 2019 toont in overwegende omvang beige/zandkleurige plekken waar voorheen water heeft gestaan. Op de ter zitting getoonde satellietbeelden van 30 oktober 2019 zijn naast zandkleurige plekken evenwel in veel grotere omvang ook groene gedeeltes te zien. Verweerder heeft ter zitting erkend dat dit erop duidt dat gras is opgekomen en aan het opkomen is. Dit strookt met de stelling van appellante ter zitting dat plasdraspercelen die na het droogvallen niet ‘uit eigen kracht’ herstellen volgens de beheervoorwaarden weer ingezaaid moeten worden en dat dit ook in dit geval is gebeurd. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat het weer inzaaien een landbouwactiviteit is die maakt dat het plasdrasperceel als subsidiabele landbouwgrond kan worden aangemerkt. Hierbij komt dat niet is komen vast te staan dat in dit geval niet kon worden voldaan aan het criterium uit artikel 2.2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, dat het areaal ten minste één keer per twee jaar vóór 1 november wordt gemaaid. Het College is bij deze stand van zaken van oordeel dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan worden staande gehouden dat het perceel buiten de inundatieperiode niet in een staat verkeerde waarin begrazing of teelt mogelijk was. De conclusie van verweerder dat geen sprake is van subsidiabele landbouwgrond, is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, in samenhang bezien met het beschikbare beeldmateriaal, dient ervan te worden uitgegaan dat hier wel sprake is van subsidiabele landbouwgrond.
- Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het College onvoldoende informatie heeft om het geschil finaal te beslechten, zal het verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn stellen van acht weken.
- Omdat het College het beroep gegrond verklaart, zal het College bepalen dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Beslissing Het College: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellante te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 748,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, mr. H.L. van der Beek en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli
- w.g. T. Pavićević w.g. A. Graefe