uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/137 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2021 in de zaak tussen [naam maatschap] , te [plaats] , verzoekster, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. R. Kuiper). Procesverloop Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van verzoekster vastgesteld. Bij besluit van 30 augustus 2018 (het besluit op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen dit besluit op bezwaar. Bij besluit van 21 mei 2019 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder zijn besluit op bezwaar van 30 augustus 2018 vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard, onder intrekking van het besluit van 30 augustus 2018. Verzoekster heeft vervolgens haar beroep ingetrokken. Op 5 juni 2019 heeft verweerder van verzoekster een schadevergoedingsverzoek ontvangen. Bij besluit van 5 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een schadevergoeding van € 11.743,27 toegekend. Op 10 januari 2020 heeft verzoekster bij het College een verzoekschrift ingediend als bedoeld in artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij brief van 15 maart 2021 heeft verzoekster de door haar gevraagde schadevergoeding beperkt tot een bedrag van € 25.000,-. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Namens verzoekster zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst om verzoekster in de gelegenheid te stellen haar schadeverzoek nader te motiveren en verweerder in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Bij brief van 4 mei 2021 (door het College ontvangen op 6 mei 2021) heeft verzoekster laten weten van deze gelegenheid geen gebruik meer te willen maken. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 12 mei 2021 medegedeeld daarop niet meer inhoudelijk te reageren. Met toestemming van partijen om zonder nadere zitting uitspraak te doen is het onderzoek gesloten. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, voor zover hier van belang, een onrechtmatig besluit. Het College is op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen. 1.2 Artikel 8:90, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek schriftelijk wordt ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. 1.3 Artikel 8:90, tweede lid, van de Awb bepaalt dat ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade vraagt, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. 1.4 Artikel 8:95 van de Awb bepaalt dat indien de bestuursrechter het verzoek geheel of gedeeltelijk toewijst, hij het bestuursorgaan veroordeelt tot vergoeding van schade. Besluiten van verweerder en omvang van het geding 2. Verweerder heeft het fosfaatrecht van verzoekster vastgesteld op 2.843 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het besluit op bezwaar van 30 augustus 2018 heeft verweerder het fosfaatrecht van verzoekster ongewijzigd gelaten. Bij het vervangingsbesluit heeft verweerder verzoekster alsnog als knelgeval aangemerkt en haar fosfaatrecht verhoogd naar 3.007 kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoekster een schadevergoeding toegekend van € 11.743,27, bestaande uit een vergoeding voor gemiste melkopbrengsten in 2018 en 2019 (€ 11.209,71) en een vergoeding voor gemiste opbrengsten van kalveren in 2018 (€ 533,56). Beroepsgronden 3. Verzoekster is van mening dat haar een schadevergoeding van € 25.000,- toekomt, omdat verweerder in zijn besluiten bij de beoordeling van de knelgevallenregeling is uitgegaan van de verkeerde alternatieve peildatum. Hierdoor is er extra schade ontstaan, waarvoor verzoekster maar gedeeltelijk schadeloos is gesteld. Zij verzoekt haar een aanvullende vergoeding toe te kennen voor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.