proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/481 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2021 in de zaak tussen Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. J.A. Rietveld), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. R. Kuiper), en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Bij herzieningsbesluit van 13 september 2018 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en het fosfaatrecht van appellante lager vastgesteld. Appellante heeft op 15 oktober 2018 bezwaar gemaakt tegen het herzieningsbesluit. Bij het bestreden besluit van 13 maart 2020 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het herzieningsbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard, het herzieningsbesluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante hoger vastgesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli
- De gemachtigde van appellante is – met voorafgaande kennisgeving – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing Het College: - verklaart het beroep gegrond; - veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 1.000,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellante te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.496,-. Overwegingen
- Niet in geschil is dat verweerder met het bestreden besluit het fosfaatrecht van appellante juist heeft vastgesteld. Ook is niet meer in geschil appellantes verzoek om schadevergoeding. Verweerder is hier in beroep aan tegemoet gekomen. Dit heeft tot gevolg dat het beroep van appellante gegrond zal worden verklaard.
- Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep, die in dit geval op twee jaar moet worden gesteld, is overschreden. Gegeven het tijdsverloop tussen de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 15 oktober 2018 en de dag van deze uitspraak heeft appellante recht op € 1.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandelingsduur van het bezwaar is overschreden met 11 maanden. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van de schadevergoeding.
- Het door appellante betaalde griffierecht zal door verweerder aan haar worden vergoed en verweerder zal worden veroordeeld in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli
- De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit proces-verbaal te ondertekenen.