uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/829 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. J. Zwiers), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M. Leegsma) Procesverloop Bij besluit van 10 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld. Bij besluit van 27 maart 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter zitting van 12 oktober 2020 aan de orde gesteld. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. 1.2. Ingevolge artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw wordt het fosfaatrecht verminderd met 8,3% (generieke korting). Ingevolge artikel 72b, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw geldt dat niet voor een bedrijf waarvan in 2015 de fosfaatproductie (op de peildatum 2 juli) kleiner is dan of gelijk is aan de fosfaatruimte (op 15 mei) (de situatie van grondgebondenheid). 1.3. De fosfaatruimte is de hoeveelheid dierlijke meststoffen in kilo’s fosfaat die in een kalenderjaar op de totale oppervlakte van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond mag worden gebracht. De fosfaatgebruiksnorm is de toegestane hoeveelheid fosfaat per hectare grond en hangt af van de fosfaattoestand van de bodem (categorie laag, neutraal of hoog). Naarmate de grond minder fosfaat bevat (bij grasland wordt dat uitgedrukt in een PAL-waarde), mag er meer fosfaat worden aangebracht. RVO hanteert ingevolge zijn mestbeleid voor het jaar 2015 voor grasland dat niet is bemonsterd en geanalyseerd de categorie hoog en voor grasland dat wel is bemonsterd en geanalyseerd de navolgende fosfaatgebruiksnormen: PAL-waarde categorie fosfaatgebruiksnorm <27 laag 100 kg per ha 27-50 neutraal 90 kg per ha >50 hoog 80 kg per ha 1.4. Artikel 103a van de Uitvoeringsregeling Msw, bevat bepalingen over de wijze van vaststellen van de fosfaattoestand van de bodem en de daarbij geldende voorwaarden. Een voorwaarde is, kort gezegd, dat de grond moet worden bemonsterd en geanalyseerd volgens een bemonsteringsprotocol door een geaccrediteerd laboratorium. Een andere voorwaarde is, als vermeld in artikel 103a, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Msw, dat een geldig analyserapport, voor zover van belang, de volgende gegevens moet bevatten: d. de exacte locatie van het bemonsterde perceel dan wel de delen van het perceel, vastgesteld met behulp van GPS-gegevens; e. het aantal steken dat uit de bodemlaag werd genomen; f. de diepte waarop de bodemmonsters zijn gestoken; g. een schema of een tekening van de locaties waar de bodemmonsters zijn gestoken; Feiten 2. Appellant exploiteert een melkveebedrijf te [plaats] . In 2013 was er op zijn bedrijf sprake van diergezondheidsproblemen. Hij had op 15 juni 2013 87 melkkoeien en 58 stuks jongvee. Hij had op 2 juli 2015 53 melkkoeien en 59 stuks jongvee. Besluiten van verweerder 3.1. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 3045 kg. Hij is daarbij uitgegaan van het aantal dieren dat op de peildatum 2 juli 2015 op het bedrijf van appellant aanwezig was en heeft geen korting toegepast omdat appellant op de peildatum 15 mei 2015 een fosfaatproductie van 3044,2 kg en een fosfaatruimte van 3745,3 kg had en dus grondgebonden is. 3.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, naar aanleiding van de op de op 20 februari 2018 van appellant ontvangen melding bijzondere omstandigheden (diergezondheids-problemen) en met toepassing van de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw, zijn fosfaatrecht vastgesteld op 3746 kg. Hij is daarbij uitgegaan van het aantal dieren dat op 15 juni 2013 op het bedrijf van appellant aanwezig was, een fosfaatproductie op die datum van 4075,8 kg, een fosfaatruimte op 15 mei 2015 van 3745,3 kg en heeft een korting van 330,5 kg (het verschil tussen de fosfaatproductie en de fosfaatruimte) toegepast omdat het bedrijf niet meer als grondgebonden is aan te merken. Verweerder heeft de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard. Beroepsgronden 4.1. Appellant stelt dat verweerder bij de vaststelling van het fosfaatrecht van een onjuiste fosfaatruimte is uitgegaan, omdat hij met betrekking tot een aantal percelen van een onjuiste fosfaattoestand is uitgegaan. Daardoor is hij ten onrechte niet aangemerkt als grondgebonden en is ten onrechte een korting toegepast. 4.2. Appellant stelt dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat al zijn grasland een hoge PAL-waarde heeft. Hij beschikte in 2015 over 20,43 ha met een hoge PAL-waarde (fosfaatgebruiksnorm 80 kg per
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.