uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/174 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 september 2021 op het hoger beroep van: [naam] , registeraccountant, appellant tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 november 2020, nummer 20/1400 Wtra PE, gegeven op een klacht, tegen appellant ingediend door de Koninklijke Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (de Nba) Procesverloop Appellant heeft op grond van artikel 43 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) hoger beroep ingesteld tegen de bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus
- Appellant is verschenen. De Nba is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen
- Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Wtra kan binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van de accountantskamer hoger beroep worden ingesteld bij het College. In artikel 43a, eerste lid, van de Wtra is bepaald dat hoger beroep wordt ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College.
- Op 26 januari 2021 is ter griffie van het College het op 23 januari 2021 gedateerde beroepschrift van appellant ontvangen.
- Het College stelt vast dat in de aangevallen uitspraak staat vermeld dat een afschrift hiervan aan partijen is verzonden op 20 november 2020, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is ingegaan op 23 november 2020 en is geëindigd op 4 januari
- Dit betekent dat het beroepschrift van appellant niet tijdig is ingediend.
- Appellant voert aan dat de termijnoverschrijding het gevolg is van de zware werkdruk door de coronapandemie, die een sterk negatief economisch effect heeft op de onderneming waar appellant werkzaam is. Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat hij chief executive officer is en in de afgelopen maanden druk was met aan financiering gerelateerde zaken. Appellant heeft ter zitting verder aangevoerd dat zijn belang bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep zwaarder weegt dan het belang van handhaving van de termijn.
- In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet het College geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Niet is gebleken dat het voor appellant onmogelijk was om binnen de termijn ten minste een kort beroepschrift in te (laten) dienen met het verzoek om een nadere termijn voor het indienen of aanvullen van de gronden van het hoger beroep. Het College wijst er ten slotte op dat artikel 43, eerste lid, van de Wta dwingend van aard is, zodat het College daarvan niet mag afwijken.
- Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
- De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra. Beslissing Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september
- w.g. T.G.M. Simons De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen