← Nederland

ECLI:NL:CBB:2021:922

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/842 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Maatschap [naam 1] , [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V., te [plaats] , verzoeksters (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. B.M. Kleijs). Procesverloop Bij besluit van 24 juni 2021 heeft verweerder [naam 1] en [naam 2] B.V. een last onder dwangsom opgelegd. Verzoeksters hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  2. Ingevolge artikel 8:83, derde lid, Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer als het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Daartoe bestaat in dit geval aanleiding.
  3. Verzoeksters hebben gesteld dat er sprake is van spoedeisend belang aangezien de dwangsom loopt en de termijn voor verzoeksters te kort is om aan de last te voldoen. Weliswaar zullen verzoeksters de dwangsom uiteindelijk wel betalen en is er geen sprake van onomkeerbare gevolgen, maar dat is volgens verzoeksters niet het juiste juridische criterium. Het gaat tenslotte om een aanzienlijk bedrag en niet valt in te zien dat verzoeksters het risico moeten lopen op herhaalde controles en het wellicht verbeurde tot het maximumbedrag. Bovendien is sprake van een kennelijk onrechtmatig besluit. De last is opgelegd aan de verkeerde persoon. De persoon aan wie de last is opgelegd is niet langer de houder en de exploitant van de dieren.
  4. Verweerder heeft te kennen gegeven dat geen sprake is van spoedeisend belang. Verzoeksters hebben immers te kennen gegeven op dit moment uitvoering te geven aan de last, maar dat zij niet in staat is om dat binnen de gegeven termijn te realiseren. Verzoeksters hebben voorts niet aangetoond dat zij absoluut niet in staat zijn de dwangsom te betalen. Er is dus geen sprake van onomkeerbare gevolgen waardoor het treffen van een voorlopige voorziening op zijn plaats zou zijn. Voorts blijkt uit de uitspraak van 4 juni 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:4860) dat Maatschap [naam 1] en [naam 2] B.V. een overtreding hebben begaan en dat verweerder bevoegd was handhavend op te treden. Tot slot heeft verweerder te kennen gegeven dat op korte termijn geen hercontrole staat gepland en dat er dus om die reden niet op korte termijn zal worden ingevorderd.
  5. Gelet op het vorenstaande is voor de voorzieningenrechter komen vast te staan dat op korte termijn geen invordering dreigt en ook overigens niet is gebleken dat een financiële noodsituatie dreigt. De conclusie is dat verzoeksters geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening.
  6. Het verzoek wordt, als kennelijk ongegrond, afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Koopmans, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september
  7. De voorzieningenrechter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen de uitspraak te tekenen Afschrift verzonden aan partijen op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.