ECLI:NL:CBB:2021:97
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 19/1247 en 19/1248 Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2021 op de hoger beroepen van: [naam 1] AA, te [plaats 1] ( [naam 1] ) (gemachtigde: mr. T. de Mos), en [naam 2] ( [naam 2] ) en [naam 3] B.V., te [plaats 2] (hierna gezamenlijk: [naam 4] c.s.) (gemachtigde: mr. J.C.Th. Papeveld) tegen de uitspraak van de accountantskamer van 8 juli 2019, gegeven op een klacht, door [naam 4] c.s. ingediend tegen [naam 1] .
Procesverloop in hoger beroep [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 8 juli 2019, met nummer 18/2053 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2019:49). Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd met zaaknummer 19/1248. [naam 4] c.s. hebben eveneens tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is geregistreerd met zaaknummer 19/1247.
Partijen hebben een schriftelijke reactie op elkaars hogerberoepschrift gegeven. [naam 4] c.s. hebben op 11 november 2020 nadere stukken ingediend. [naam 1] heeft op 20 november 2020 een nader stuk ingediend Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam 2] is, mede namens [naam 3] B.V., verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.
1.2 [naam 1] is als accountant administratieconsulent werkzaam bij [naam 5] te [plaats 1] .
1.3 [naam 2] , zijn broer [naam 6] en zijn zus [naam 7] exploiteren een agrarisch bedrijf dat nertsen, varkens en rundvee houdt. Zij hebben dit door hun ouders opgerichte bedrijf overgenomen na het overlijden van hun moeder in 2007 en het daarna terugtreden van hun vader. Aanvankelijk waren de verschillende bedrijfsonderdelen – inclusief locaties – formeel niet toebedeeld aan de kinderen die ze exploiteerden. In 2012 is besloten het bedrijf te herstructureren. Daarbij was het de bedoeling dat ieder 1/3 van het vermogen zou krijgen, waarbij ieder het deel van het bedrijf waarin men actief was zou voortzetten. Eventuele over- en onderbedeling zou worden verrekend. Nadat het herstructureringsproces wegens onenigheid was uitgesteld, is het in 2015 alsnog in gang gezet.
1.4 Op 9 februari 2015 heeft [naam 6] te [plaats 3] in een overzicht de verschillende stappen uiteengezet die nodig zijn om te komen tot de gewenste structuur. Dit betrof onder meer:
1.5 Begin mei 2015 is [naam 1] door [naam 6] bij de herstructurering van de onderneming betrokken. Op 19 mei 2015 kreeg hij de opdracht om de juridische fusie per 1 januari 2015 van [naam 13] B.V. en [naam 12] B.V. met [naam 10] B.V. te onderzoeken en daarover te rapporteren. Uit de opdrachtbevestiging van die datum blijkt dat de werkzaamheden erop zijn gericht toereikende informatie te verkrijgen om vast te stellen dat: de aan het voorstel tot splitsing ten grondslag liggende, door het bestuur gemaakte, beschrijvingen, niet onredelijk zijn; het voorstel tot splitsing is opgesteld op dezelfde basis als de jaarrekening met toepassing van aanvaardbare grondslagen van waardering en resultaatbepaling.
De aldus door [naam 1] geformuleerde opdrachtbevestiging is door de broer en zus van [naam 2] ondertekend, maar niet door [naam 2] . De rapportages zijn uiteindelijk niet tot stand gekomen vanwege nieuwe meningsverschillen tussen [naam 2] , zijn broer en zijn zus.
1.6 Op 26 oktober 2015 kreeg [naam 1] de opdracht om het voorstel tot een juridische fusie per 1 januari 2015 van [naam 13] B.V., [naam 12] B.V. en [naam 15] B.V. met [naam 10] B.V. te onderzoeken en daarover te rapporteren, met hetzelfde doel als de opdracht van 19 mei 2015. De opdrachtbevestiging is alleen door [naam 1] en niet door de opdrachtgevers ondertekend. [naam 1] heeft de declaraties voor zijn werkzaamheden naar [naam 6] gezonden.
1.7 De herstructurering van de onderneming heeft juridisch vorm gekregen op 9 november 2015. Op die dag is [naam 15] B.V. opgericht. In de akte van oprichting is onder meer bepaald dat de oprichters ( [naam 2] en zijn broer en zus) ieder hun aandeel in VOF [naam 15] geruisloos inbrengen. Dit is door middel van een eveneens op 9 november 2015 ondertekende akte van inbreng gebeurd. Verder is op 9 november 2015 een voorstel voor een driehoeksfusie ondertekend, waarbij de nieuw opgerichte vennootschap [naam 15] B.V. is opgegaan in [naam 10] B.V.
1.8 Op 10 november 2015 heeft [naam 1] een controleverklaring als bedoeld in artikel 2:328, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) afgegeven. Hij schrijft daarin over het voorstel tot fusie gedateerd 9 november 2015 van de vennootschappen (1a) [naam 12] B.V., gevestigd te [plaats 2] , (1b) [naam 13] B.V., gevestigd te [plaats 4] en (1c) [naam 15] B.V., gevestigd [plaats 2] , (1a t/m 1c zijn de verdwijnende vennootschappen) en (2) [naam 16] B.V., gevestigd te [plaats 2] , (verkrijgende vennootschap) het volgende: “ (…)Naar ons oordeel:
Uitspraak van de accountantskamer 2.1 De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt het volgende in: [naam 1] heeft het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden door een opdracht te aanvaarden van [naam 6] zonder dat daaraan een volmacht of opdracht van [naam 4] c.s. aan ten grondslag lag terwijl [naam 2] niet daarvan op de hoogte was en [naam 1] wist dat er problemen waren tussen [naam 2] enerzijds en zijn broer en zus anderzijds; [naam 1] heeft het fundamentele beginsel van integriteit geschonden door bij zijn werkzaamheden uit te gaan van informatie en gegevens waar hij zelf geen toegang toe had en die niet vaststonden dan wel waarover discussie was; [naam 1] heeft het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden door geen accountantsverslag op te stellen terwijl dat wel had gemoeten en een verklaring af te geven over een situatie die afwijkt van het fusievoorstel; [naam 1] was niet onafhankelijk omdat hij zich liet aansturen door [naam 6] zonder zelf onderzoek te doen; [naam 1] heeft de opdracht ten onrechte aanvaard, (ongewijzigd) voortgezet en niet (tijdig) teruggegeven; [naam 1] heeft ten onrechte (onjuiste) controleverklaringen afgegeven en controleverklaringen afgegeven zonder toevoeging van een mededeling waarin hij de onjuistheid, onvolledigheid of het misleidende karakter daarvan aan de gebruikers kenbaar maakt.
2.2 Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard, voor zover [naam 1] het verwijt treft dat hij in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en met het conceptueel raamwerk als bedoeld in artikel 21 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) heeft gehandeld. Voor zover hem schending van het fundamentele beginsel van integriteit wordt verweten, heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft [naam 1] de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand.
2.3 De accountantskamer heeft onder meer overwogen dat [naam 1] de in artikel 2:328 van het BW bedoelde opdracht om een juridische fusie te onderzoeken en daarover te rapporteren (een wettelijke taak derhalve) heeft geaccepteerd in de wetenschap dat hij geen ervaring had met dergelijke complexe vraagstukken. Bij de opdrachtaanvaarding heeft hij meerdere formele regels niet nageleefd. Ook is hij zich onvoldoende bewust geweest van mogelijke bedreigingen van de fundamentele beginselen als gevolg van het ontstane en steeds hoger oplopende familieconflict. Bij de uitvoering van de opdracht is hij te veel op de informatieverstrekking door derden afgegaan in plaats van zelf onderzoek te doen. Verder heeft [naam 1] onvoldoende werkzaamheden verricht en op onzorgvuldige wijze gerapporteerd. Gelet op de grote financiële – en andere – belangen van de bij de herstructurering betrokken partijen rekent de accountantskamer hem dit aan. [naam 4] c.s. hebben echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 1] daarbij niet eerlijk en oprecht is opgetreden, zodat geen sprake is van gestelde schending van het fundamentele beginsel van integriteit. Ten aanzien van de tuchtrechtelijke maatregel heeft de accountantskamer meegewogen dat [naam 1] ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij niet langer assurance-opdrachten zal aanvaarden en dat aan hem niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep Het hoger beroep van [naam 1] 3. Het College stelt vast dathet hoger beroep van [naam 1] is gericht tegen een aantal overwegingen van de accountantskamer in het kader van de beoordeling van de klachtonderdelen b, c, d en f. Tegen het oordeel van de accountantskamer over de klachtonderdelen a en e heeft [naam 1] geen hoger beroep ingesteld.
Voorts stelt het College vast dat [naam 1] zijn hoger beroepschrift heeft ingeleid met de stelling dat de accountantskamer heeft veronachtzaamd dat hij in het herstructureringsproces van de [naam 4] groep maar een beperkte rol had en dat er als gevolg van zijn handelen geen financieel nadeel is geleden. In dat kader heeft [naam 1] gewezen op de laatste zin van onderdeel 2.3 van de bestreden uitspraak, waarin de accountantskamer met betrekking tot de herstructurering heeft vermeld dat “het [daarbij] de bedoeling [was] dat ieder 1/3 van het vermogen zou krijgen, waarbij ieder het deel van het bedrijf waarin men actief was zou voortzetten, en eventuele over- en onderbedeling zou worden verrekend”. Ook heeft [naam 1] gewezen op de chronologische beschrijving van het herstructureringsproces in onderdeel 2.5 van de bestreden uitspraak. Ter zitting van het College heeft [naam 1] verduidelijkt dat hij hiermee niet heeft bedoeld te betogen dat de accountantskamer de feiten onjuist of onvolledig heeft vastgesteld, maar dat hij hiermee zijn stelling heeft willen illustreren.
Verder geven de fusieakten volgens [naam 1] ook inzicht in de bedoelingen van [naam 2] en zijn broer en zus. De bedoeling was om via de juridische fusie het volledig ongestructureerde verband waarin de verschillende ondernemingen binnen de [naam 4] groep zich bevonden, te hervormen in een gestructureerde situatie, waarbij uiteindelijk ieders vermogen in het totaal identiek blijft ten opzichte van de situatie voor de bedrijfsfusie. De herstructurering had slechts ten doel om daarna en uiteindelijk na een lange tijdsperiode zoveel mogelijk belastingvrij een succesvolle splitsing van alle belangen in drie gelijke vermogensdelen mogelijk te maken. Bij de interne juridische fusie van de [naam 4] groep zou dan ook geen sprake zijn van de bepaling van goodwill c.q. beoordeling van prognose informatie.
Het onroerend goed en de bedrijfsinventaris zou door onafhankelijke deskundigen worden getaxeerd en geherwaardeerd op de balansen voor de fusie. Ale activa en passiva zouden middels diverse fiscale en juridische processen worden doorgeschoven naar andere vennootschappen zonder dat het eigen-vermogen-belang van [naam 2] en zijn broer en zus in deze activa en passiva zou wijzigen. [naam 1] stelt dat het van belang is te realiseren dat het hier feitelijk een zuivere interne juridische aandelenfusie betreft. Daarbij zijn derhalve geen derden betrokken: alle activa en passiva van [naam 2] en de broer en zus worden gehergroepeerd zonder dat er uiteindelijk een verschuiving in eigen vermogen plaatsvindt.
Enige andere uitleg of intentie van de herstructurering wordt door [naam 1] uitdrukkelijk betwist.
Verder stelt het College vast dat in de door [naam 1] overgelegde fusieakten inderdaad is opgenomen dat de aandeelhouders van de fuserende vennootschappen hebben afgezien van het opstellen van het verslag van de accountant als bedoeld in artikel 2:238, tweede lid, van het BW. Naar het oordeel van het College doet dit er echter niet aan af dat [naam 1] op dit voor zijn opdracht wezenlijke punt slechts op een mededeling van de notaris is afgegaan, terwijl het, gezien de wettelijke voorschriften waaraan fusies van naamloze en besloten vennootschappen moeten voldoen, op zijn weg had gelegen te verifiëren dat de aandeelhouders daadwerkelijk ermee instemden dat geen verslag zou worden opgesteld, bijvoorbeeld door de inhoud en ondertekening van de in het kader van de notariële akten verleende volmachten na te gaan.
Het feit dat [naam 1] in de veronderstelling verkeerde dat de opdracht tot het afgeven van een controleverklaring als bedoeld in artikel 2:328, eerste lid, van het BW van [naam 6] afkomstig was, maakt dit niet anders. Ook in dat geval had hij zich van bedoelde instemming van de bij de fusie betrokken aandeelhouders – [naam 2] en zijn broer en zus, aan wie hij de opdracht overigens ook had laten bevestigen – moeten verzekeren. Het College merkt overigens op dat het standpunt van [naam 1] dat hij er via de notaris van op de hoogte was dat de aandeelhouders van de fuserende vennootschappen er conform artikel 2:328, zesde lid, van het BW mee instemden dat het in artikel 2:328, eerste volzin van het eerste lid, van het BW bedoelde onderzoek niet zou worden uitgevoerd en het in het tweede lid bedoelde verslag niet zou worden opgesteld, niet strookt met het feit dat hij zich in zijn verklaring van 10 november 2015 over de redelijkheid van de ruilverhouding heeft uitgelaten.
In zijn redenering was dat niet nodig geweest.
Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat [naam 1] , aangezien niet is gebleken dat aan de in artikel 2:328, zesde lid, van het BW opgenomen uitzonderingsbepaling is voldaan, ten onrechte geen verslag heeft opgesteld waarin hij zijn oordeel geeft over de mededelingen bedoeld in artikel 2:327 van het BW.
Voor zover [naam 1] zich niet kan verenigen met het oordeel van de accountantskamer – in overweging 4.8.7. van de bestreden uitspraak – dat hij in zijn verklaring heeft volstaan met te oordelen dat de ruilverhoudingen, mede gelet op de bijgevoegde stukken, redelijk zijn, zonder dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt hoe hij tot deze conclusie is gekomen, overweegt het College dat [naam 1] dit oordeel weliswaar heeft betwist, maar niet heeft aangegeven welke onderbouwing dan wél aan zijn verklaring ten grondslag heeft gelegen.
Zo heeft hij een voorziening van € 1.579.000 meegenomen in verband met de waarde van de panden van het nertsenbedrijf in het kader van het naderende nertsenverbod. Anders dan [naam 4] c.s. menen behoorde het niet tot zijn opdracht om de door hen gestelde frauduleuze handelingen op te sporen en zichtbaar te maken. Enig bewijs van benadeling hebben zij ook niet aangeleverd. Verder wijst [naam 1] erop dat de driehoeksfusie in de jaarcijfers 2015 is verwerkt. De weigering van [naam 4] c.s. (en ook van zijn broer en zus) om de jaarcijfers 2015 van [naam 10] B.V. ter beschikking te stellen schaadt hem in zijn bewijspositie. Hij kan daardoor niet aantonen dat ten aanzien van [naam 4] c.s. geen sprake is van het verdwijnen van vermogen.
De vordering in het persoonlijk vermogen van [naam 2] is uiteindelijk getransformeerd in een identiek bedrag aan agio C van [naam 10] B.V. Het karakter van het bedrag is daardoor vanzelfsprekend veranderd, maar beslist niet de omvang van het bedrag. Het bedrag is daardoor zeker niet verdwenen, zoals de accountantskamer in overweging 4.8.8 van de bestreden uitspraak suggereert. De accountantskamer onderkent niet of onvoldoende dat hij part noch deel had aan de fase van het herstructureringsproces waarin deze transformatie in gang is gezet en ook niet dat deze transformatie een onvermijdelijk onderdeel is van een totaalproces dat in een gelijk vermogen tussen [naam 2] en zijn broer en zus moet uitmonden.
Zij zijn geen bedragen kwijtgeraakt, alleen het juridische en fiscale karakter van de bedragen is veranderd. Overigens merkt [naam 1] op dat [naam 2] in het verleden ook niet zomaar de vordering uit zijn persoonlijk vermogen bij [naam 10] B.V. kon opeisen en dat de omzetting van zijn vordering in agio C hem jaarlijks een groot bedrag aan inkomstenbelasting scheelt.
Het hoger beroep van [naam 4] c.s.
Na het op basis van de stukken van [naam 1] passeren door de notaris is er geen sprake van een juiste juridische, economische en fiscale werkelijkheid binnen de [naam 4] groep. Hierdoor zijn er tot op heden geen juiste/volledige cijfers van de [naam 4] groep 2014 tot en met 2018 beschikbaar en kunnen alle bij de groep betrokken vennootschappen en natuurlijke personen ook geen juiste belastingen afdragen, laat staan aangiftes doen. Hierdoor is er ook geen sprake van een reeds per 2012 voorgenomen splitsing van de [naam 4] groep, ook niet na jaren van procederen. Daarbij staan ook de belangen van de bank, de belastingdienst, het personeel en het dierenwelzijn op het spel, althans staan deze belangen of de relaties met derden sterk onder druk.
Tevens geldt dat [naam 1] de [naam 4] groep maar ook [naam 2] zelf zakelijk en privé veel schade heeft toegebracht. [naam 4] c.s. stellen dat zij er belang bij en recht op hebben om ook inzicht te krijgen in het deel van de herstructurering voor zover deze de broer en zus van [naam 2] aangaat, alsmede de impact voor hen en hun rol daarbij, ook in relatie tot [naam 1] , met wie zij contact hebben gehad. Ook hebben [naam 4] c.s. tot op heden geen inzage in de boekhouding van de [naam 4] groep, zeker niet als het gaat om de nertsentak. Zij wijzen erop dat dit dossier een zogenoemde “klikstatus” heeft en dat er een grootschalig onderzoek van de FIOD loopt naar belastingfraude in de nertsenfokkerij. Ook binnen de [naam 4] groep is er volgens [naam 4] c.s. van alles aan de hand op het gebied van (het gebrek aan juiste) cijfers, enzovoorts. Mogelijk is sprake van serieuze fraude, hetgeen [naam 2] al vermoedde totdat hij in de krant over de acties van de fiscus ten aanzien van de nertsensector moest lezen.
Door hun verzoek af te wijzen heeft de accountantskamer zich naar de mening van [naam 4] c.s. de mogelijkheid onthouden om te worden voorgelicht door een deskundige die onderzoek heeft gedaan naar het gehele dossier dat [naam 1] van de [naam 4] groep onder zich heeft en houdt en dat [naam 4] c.s. zelf niet hebben en ook niet konden aanleveren ter onderbouwing van hun klacht. De accountantskamer heeft aldus het doel van waarheidsvinding miskend en het zichzelf daarmee toegestaan haar beslissing op een onvolledig dossier te baseren. Ook heeft zij [naam 4] c.s. hiermee ten onrechte belet om hun klacht te kunnen onderbouwen, waardoor zij in hun proces- c.q. verdedigingsbelang zijn geschaad. Dit alles aangevuld met het gegeven dat overtreding van (fiscale) wetgeving ernstig moet worden beschouwd, verzoeken [naam 4] c.s. het College de bestreden uitspraak op dit punt te vernietigen en zelf alsnog een deskundige te benoemen.
Niet alleen heeft [naam 1] in dit kader geen maatregel ten aanzien van zijn objectiviteit getroffen, hij heeft ook niet overwogen om dat te doen. [naam 1] kon er niet op vertrouwen dat [naam 6] , waarvoor hij naar eigen zeggen werkte, eerlijk en oprecht jegens [naam 2] handelde, te meer nu zij hem van onjuiste, onvolledige en misleidende informatie voorzagen. Door daartegen geen maatregelen te treffen en/of zich daarvan niet te distantiëren, heeft [naam 1] volgens [naam 4] c.s. niet integer jegens [naam 2] gehandeld. [naam 4] c.s. sluiten, gezien hetgeen zij hebben gesteld en de zogenoemde “klikstatus” en het onderzoek naar fraude in de nertsensector, niet uit dat [naam 1] fraude heeft gefaciliteerd.
De accountantskamer heeft klachtonderdeel b ten onrechte ongegrond verklaard.
Maatregel 17. [naam 4] c.s. zijn van mening dat [naam 1] in het licht van de gegeven omstandigheden, de omvang, aard en ernst van zijn handelen of nalaten, waarop notarieel het nodige is gepasseerd, met alle gevolgen van dien, als accountant voor het leven dient te worden geschorst.
Beslissing Het College verklaart het hoger beroep van [naam 1] en het hoger beroep van [naam 4] c.s. ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W. Aerts, mr. S.C. Stuldreher en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.
De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen