uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/324 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2021 in de zaak tussen [appellant] (sr.), te [plaats 1] , appellant (gemachtigde: mr. drs. H.J. Ruysendaal), en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende). Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1] , te [plaats 2] , belanghebbende 1, en [belanghebbende 2] , te [plaats 3] , belanghebbende 2, hierna gezamenlijk te noemen: belanghebbenden(gemachtigde: J.H.M. Schepers). Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot inschrijving van de opgave van de uittreding van belanghebbenden als bestuurders en de toetreding van [naam 1] jr. als bestuurder van het [naam 2] in het handelsregister per 22 oktober
- Bij besluit van 20 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van belanghebbenden gegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de inschrijving van de opgave ongedaan zal worden gemaakt. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober
- Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ook belanghebbenden zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Overwegingen De vereniging [naam 2] (de vereniging) staat sinds 23 december 1997 ingeschreven in het handelsregister. Uit de statuten, die ook dateren van 23 december 1997, blijkt dat de vereniging sinds haar oprichting bestuurd werd door [naam 3] (de moeder van appellant en belanghebbenden) en appellant. Vanwege het overlijden van [naam 3] is appellant per 21 maart 2012 benoemd tot voorzitter en belanghebbenden tot algemeen bestuursleden. Op 22 oktober 2019 heeft appellant opgave gedaan van de uittreding van belanghebbenden als bestuurders en van de toetreding van [naam 1] jr. als bestuurder van de vereniging per 22 oktober
- Bij het primaire besluit heeft verweerster deze opgave ingeschreven in het handelsregister. Belanghebbenden hebben daar bezwaar tegen gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerster de bezwaren gegrond verklaard en de inschrijving van de opgave ongedaan gemaakt. Omdat van de uittreding van belanghebbenden en van de toetreding van [naam 1] jr. geen enkel bewijs is overgelegd en appellant in bezwaar zelf heeft aangegeven dat belanghebbenden op 11 juli 2018 zouden zijn ontslagen, heeft verweerster in bezwaar alsnog gerede twijfel aan de juistheid van de gedane opgave gekregen. Appellant stelt dat belanghebbenden op 11 juli 2018 overeenkomstig de statuten zijn ontslagen in een buitengewone ledenvergadering en verwijst daarbij naar stukken die hij al in 2018 aan verweerster heeft toegestuurd. Hij verzoekt het College daarom het beroep gegrond te verklaren en verweerster op te dragen belanghebbenden te verwijderen uit het handelsregister. Verweerster wijst erop dat appellant heeft opgegeven dat belanghebbenden per 22 oktober 2019 zouden zijn uitgetreden als bestuurders. De stukken waarnaar appellant verwijst kunnen deze opgave niet onderbouwen, omdat daaruit een andere datum van ontslag (11 juli 2018) zou volgen dan is opgegeven (22 oktober 2019). Verweerster stelt zich daarom op het standpunt dat zij het bezwaar van belanghebbenden terecht gegrond heeft verklaard. Het College overweegt als volgt. De zaak die nu ter beoordeling voorligt, gaat over de opgave die appellant op 22 oktober 2019 bij verweerster heeft gedaan. Daarin heeft hij gemeld dat belanghebbenden per 22 oktober 2019 zijn uitgetreden (ontslagen) als bestuurders van de vereniging en dat zijn zoon per diezelfde datum is toegetreden als bestuurder. Verweerster heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het dossier geen stukken te vinden zijn die deze opgave onderbouwen. De stukken waarnaar appellant in beroep heeft verwezen, gaan over een algemene ledenvergadering op 11 juli
- Zelfs als belanghebbenden tijdens die vergadering inderdaad zijn ontslagen, dan kunnen deze stukken de opgave van 22 oktober 2019 niet onderbouwen. Daar is immers opgegeven dat belanghebbenden per 22 oktober 2019 zouden zijn ontslagen, en niet per 11 juli
- Over de benoeming van de zoon van appellant als bestuurder van de vereniging zijn helemaal geen stukken overgelegd. Het College is daarom van oordeel dat verweerster het bezwaar van belanghebbenden terecht gegrond heeft verklaard. De opgave van het ontslag en de benoeming per 22 oktober 2019 is terecht niet ingeschreven in het handelsregister. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. D. Brugman en mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november
- H.O. Kerkmeester de griffier is verhinderd te ondertekenen