ECLI:NL:CBB:2021:986
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/268 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2021 in de zaak tussen [appellant] , te [plaats] , appellant, en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigde: mr. B.A. van den Enden-Holtkamp).
Procesverloop Bij besluit van 13 juni 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerster besloten tot inschrijving van de opgave van een bestuurswisseling van de [VvE Bewoners] (de VvE Bewoners).
Bij besluit van 8 juli 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerster besloten tot inschrijving van de opgave van een bestuurswisseling van de [VvE Parkeergarage] (de VvE Parkeergarage).
Bij besluit van 16 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij het primaire besluit 1 herroepen en besloten tot wijziging van de datum van uittreding van appellant als bestuurder van de VvE Bewoners.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en bezwaar gemaakt tegen het besluit tot wijziging van de datum van uittreding. Hij heeft daarbij verweerster verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij het College als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerster heeft ingestemd met dat verzoek.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2021. Appellant is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.1 De ondergrondse parkeergarage [naam 1] wordt beheerd door drie Verenigingen van Eigenaars: de VvE Bewoners, de VvE Parkeergarage en [VvE Koopparkeerplaatsen] (VvE Koopparkeerplaatsen).
2.2 De VvE Bewoners staat sinds 21 december 2011 ingeschreven in het handelsregister. Deze VvE heeft twee leden: de Vereniging Stadgenoot (een woningbouwvereniging te Amsterdam) en de VvE Koopparkeerplaatsen. Op 13 juni 2019 heeft [naam 2] , notaris te Amsterdam, opgave gedaan van de uittreding van appellant als bestuurder per 12 september 2018 en de toetreding van [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] als bestuurders (respectievelijk secretaris, voorzitter en penningmeester) per 14 juni 2018. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerster besloten tot inschrijving van deze opgave.
2.3 De VvE Parkeergarage staat sinds 21 december 2011 ingeschreven in het handelsregister. Deze VvE heeft twee leden: de VvE Bewoners en de Gemeente Amsterdam. Op 5 juli 2019 heeft [naam 2] opgave gedaan van de uittreding van appellant als bestuurder per 12 september 2018 en de toetreding van [naam 4] , [naam 5] en de Gemeente Amsterdam als bestuurders per 12 september 2018. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerster besloten tot inschrijving van deze opgave.
In de bezwaarfase zijn alleen notulen overgelegd, maar geen stukken waaruit de bevoegdheid blijkt van de personen die handelen namens de leden van de betrokken VvE’s. Appellant heeft met name twijfels bij de bevoegdheid van [naam 6] om op te treden namens de Vereniging Stadgenoot. De besluiten zijn dan ook in strijd met artikel 5:127 van het Burgerlijk Wetboek en daarom nietig. Daarnaast zijn de notulen van de algemene ledenvergadering van de VvE Bewoners van 29 mei 2018, waar is besloten tot het ontslag van appellant, niet ondertekend. Verweerster heeft de argumenten van appellant niet zelfstandig onderzocht, maar sluit zich kritiekloos aan bij de meningen die verkondigd worden door de notaris.
De notaris maakt zich er vanaf door te stellen dat de besluiten rechtsgeldig zijn, maar zij baseert zich slechts op de notulen en heeft geen enkel deskundig onderzoek gedaan.
Ten aanzien van de bevoegdheid van de verschillende betrokkenen verwijst verweerster naar het machtigingsformulier voor een vergadering van de VvE Koopparkeerplaatsen van 23 april 2018, de stemformulieren van een vergadering van de VvE Bewoners uit 2017 en de aanvullende verklaringen die in bezwaar door de jurist van Vereniging Stadgenoot zijn ingediend. Bij de hoorzitting in bezwaar is door alle aanwezigen – appellant, de notaris, de jurist en [naam 6] van de Vereniging Stadgenoot en [naam 4] namens de VvE Koopparkeerplaatsen – de besluitvorming en de inhoud van de besluiten bevestigd. Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij ten tijde van de opgaven terecht geen reden heeft gezien te twijfelen over de juistheid van de opgaven en de bevoegdheid van de aangever.
6.1 Zoals verweerster terecht heeft opgemerkt, volgt uit de wetsgeschiedenis dat er in het algemeen vanuit wordt gegaan dat notarissen over een voldoende volmacht beschikken tot het doen van opgaven ten behoeve van een inschrijfplichtige (zie de Memorie van Toelichting bij de Hrw, Kamerstukken II 1994-1995, 23 970, nr. 3, p. 7). Inschrijfplichtig zijn in dit geval, zo volgt uit artikel 18 van de Hrw, de bestuurders van de VvE’s. Uit de brieven van de notaris van 24 juli 2019 en 17 september 2019 blijkt dat zij het verzoek om de opgaven te doen niet van de bestuurders heeft gekregen, maar van één van de leden van de VvE Bewoners: de Vereniging Stadgenoot. Naar het oordeel van het College volgt echter uit het geheel van omstandigheden dat de notaris de opgaven heeft gedaan ten behoeve van de nieuwe bestuurders.
Uit de brieven van de notaris blijkt dat de Vereniging Stadgenoot kennelijk door het nieuwe bestuur van de VvE’s was belast met de inschrijving van de nieuwe bestuurders. Ook blijkt daaruit dat de notaris op grond van alle onderliggende stukken heeft geconcludeerd dat er sprake was van rechtsgeldige besluiten, zodat zij zich bevoegd achtte de opgaven te doen. Verder acht het College van belang dat [naam 4] , nieuwe bestuurder in beide VvE’s en daarmee inschrijfplichtig, aanwezig was bij de hoorzitting in bezwaar en daar deze gang van zaken heeft bevestigd. Naar het oordeel van het College heeft verweerster aan haar onderzoeksplicht voldaan en terecht geconcludeerd dat de notaris in dit geval bevoegd was tot het doen van de opgaven.
6.2 Ook de juistheid van de opgave heeft verweerster voldoende onderzocht. Uit de (ondertekende) notulen van de algemene ledenvergadering van de VvE Bewoners van 14 juni 2018 blijkt dat alle leden vertegenwoordigd waren en dat er met unanimiteit is gestemd. Tijdens deze vergadering zijn de nieuwe bestuurders benoemd en is het ontslag van appellant als bestuurder bevestigd. Uit de notulen blijkt dat het ontslag al heeft plaatsgevonden tijdens de algemene ledenvergadering op 29 mei 2018. De notulen van die vergadering zijn, zoals appellant terecht heeft opgemerkt, niet ondertekend, terwijl artikel 37 van de statuten dat wel vereist. Dat maakt naar het oordeel van het College echter nog niet dat er bij verweerster sprake had moeten zijn van gerede twijfel, nu het ontslag is bevestigd tijdens de vergadering van 14 juni 2018, waar wel ondertekende notulen van zijn.
Ook van de algemene ledenvergadering van de VvE Parkeergarage van 12 september 2018 zijn ondertekende notulen beschikbaar, waaruit volgt dat alle leden vertegenwoordigd waren, er met unanimiteit is gestemd, dat appellant is ontslagen als bestuurder en dat de nieuwe bestuurders zijn benoemd. De twijfels die appellant heeft bij de bevoegdheid van [naam 6] om op te treden namens de Vereniging Stadgenoot, maakt ook niet dat verweerster gerede twijfel had moeten hebben over de juistheid van de opgaven. Uit de notulen van de vergaderingen van 14 juni 2018 en 12 september 2018 blijkt dat alle leden vertegenwoordigd waren. De onderzoeksplicht van verweerster reikt niet zo ver dat zij die vertegenwoordiging dan nog nader zou moeten onderzoeken.
Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. D. Brugman en mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021.
H.O. Kerkmeester de griffier is verhinderd te ondertekenen Wettelijk kader Artikel 4 Hrb 2008 1. De Kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is, tenzij in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte reeds onderzoek naar gelijkwaardige eisen is verricht en hieruit blijkt dat de opgave aan de eisen voldoet.
Artikel 5 Hrb 2008 1. De Kamer weigert om tot inschrijving over te gaan indien zij er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een tot opgave bevoegd persoon.
Artikel 18 Hrw 1. Tot het doen van opgave ter inschrijving in het handelsregister is verplicht degene aan wie een onderneming toebehoort, of, indien het de inschrijving betreft van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a en b, het tweede lid en derde lid, ieder der bestuurders van de rechtspersoon. (..) 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere personen worden aangewezen die verplicht of bevoegd zijn tot het doen van daarbij aangewezen opgaven.
Artikel 2:14 BW 1. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. (..) Artikel 2:15 BW 1. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist;c. wegens strijd met een reglement. (..) Artikel 5:127 BW 1. Alle appartementseigenaars hebben toegang tot de vergadering van eigenaars. De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, voor zover de statuten niet anders bepalen.