← Nederland

ECLI:NL:CBB:2022:158

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/891 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 april 2022 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorganger, verweerder (gemachtigden: mr. drs. P.J. Kooiman en mr. M.J.H. van der Burgt). Procesverloop Bij besluit van 6 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante subsidie toegekend op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van

  1. Bij besluit van 26 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari
  2. Namens appellante was aanwezig [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen
  3. Artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in samenhang met artikel 6:7 van de Awb dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
  4. Tussen partijen is niet in geschil en ook het College stelt vast dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. De vraag is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
  5. Appellante heeft in beroep uitgelegd dat zij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend omdat zij in afwachting was van de beslissing op haar bezwaarschrift tegen een besluit van verweerder over de TVL Q4
  6. Appellante ging ervan uit dat als dat bezwaarschrift gegrond verklaard zou worden (wat uiteindelijk ook gebeurd is), dit ook zou gelden voor de volgende aanvragen. Dit heeft appellante ook bij e-mail van 8 juni 2021 aan verweerder medegedeeld, waarop verweerder heeft geantwoord dat hij de e-mail van appellante niet als een bezwaarschrift voor de andere kwartalen kon beschouwen, en dat appellante dus opnieuw bezwaar moest maken. Dat heeft appellante vervolgens gedaan, maar de bezwaartermijn was inmiddels verstreken. Verder wijst appellante er nog op dat verweerder heeft gecommuniceerd dat coulant zou worden omgegaan met de regelingen die in het leven zijn geroepen om het bedrijfsleven te ondersteunen in deze moeilijke tijden.
  7. In dit geval heeft verweerder in de door appellante aangevoerde reden voor het te laat gemaakte bezwaar terecht geen grond gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat appellante tegen een ander besluit, dat ging over het recht op subsidie over de periode Q4 2020, al bezwaar had gemaakt, ontslaat haar namelijk niet van de verplichting eveneens (tijdig) bezwaar te maken tegen het onderhavige primaire besluit als zij het daar (ook) niet mee eens was. Dit laatste primaire besluit is immers een ander, afzonderlijk, besluit waartegen, volgens de daarvoor geldende regels in de Awb, ook weer afzonderlijk tijdig bezwaar moet worden gemaakt. Dit stond onder het primaire besluit ook duidelijk vermeld. Verweerder heeft de termijnoverschrijding dan ook terecht niet verschoonbaar geacht.
  8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. B. Bastein en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april
  9. De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.