Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/508 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2022 in de zaak tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: C. Blokland), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. dr. A. Herczog). Procesverloop Bij besluit van 12 januari 2018 (het vaststellingsbesluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van verzoekster vastgesteld op 21 kg. Bij besluit van 10 september 2018 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het vaststellingsbesluit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij besluit van 8 oktober 2018 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het vaststellingsbesluit herzien en het fosfaatrecht van verzoekster vastgesteld op 0 kg. Bij uitspraak van 22 oktober 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:512) heeft het College het beroep van verzoekster gegrond verklaard, het besluit van 10 september 2018 en het wijzigingsbesluit vernietigd, het besluit van 12 januari 2018 herroepen, het fosfaatrecht van verzoekster vastgesteld op 50 kg en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Op 28 november 2019 heeft verzoekster verweerder aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Op 12 maart 2020 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding van verzoekster afgewezen. Op 25 maart 2020 heeft verzoekster bij het College een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekster heeft op 28 oktober 2021 en op 17, 18 en 19 november 2021 nadere stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2021. Namens verzoekster is verschenen [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 Op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. 1.2 Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het College is op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen. 1.3 Op grond van artikel 8:90, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. Op grond van het tweede lid van dit artikel vraagt de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Feiten 2. Verzoekster exploiteert een kapsalon en daarnaast een kleine veehouderij in [woonplaats] . Op de peildatum 2 juli 2015 waren een melkkoe en een vaars op het bedrijf van verzoekster aanwezig. Besluiten van verweerder 3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van verzoekster in het primaire besluit vastgesteld op 21 kg. In het wijzigingsbesluit heeft verweerder het fosfaatrecht van verzoekster verlaagd naar 0 kg. Bij besluit van 12 maart 2020 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding van verzoekster afgewezen, omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden, welke schade zij heeft geleden, en of de schade een direct gevolg is van verweerders besluitvorming. Standpunt van verzoekster 4.1 Verzoekster voert aan dat zij schade heeft geleden door de besluitvorming van verweerder. Deze schade bestaat uit gederfde inkomsten van de verlease in het jaar 2018 en de lagere verkoopprijs van fosfaatrechten in het jaar 2019. Met aftrek van de fosfaatrechten die zij voor het rund met levensnummer NL [nummer] nodig had, gaat het volgens verzoekster om (50 kg - 4,14 kg =) 45,86 kg fosfaatrechten, die zij niet heeft kunnen benutten. 4.2 In aanvulling op haar beroepsgronden heeft verzoekster aangevoerd dat zij de 50 kg fosfaatrechten die aan haar op grond van de uitspraak van het College zijn toegekend op 28 november 2019 aan V.O.F. [naam 4] heeft verkocht voor € 132,- per kg fosfaat (totale verkooprijs € 5.280,-). De afroming was op dat moment 20%. Als verweerder haar fosfaatrechten niet had ingetrokken, had zij deze fosfaatrechten tegen een hogere prijs kunnen verkopen, namelijk voor € 200,- per kg fosfaat. Het koersverschil bedraagt dus € 68,- per kg fosfaat. Verzoekster stelt dat haar schade (45,86 x € 68,-) = € 3.060,- bedraagt. Verder stelt verzoekster door het hogere afromingspercentage in 2019 nog een schadepost te hebben van (4,5 kg x € 200,- =) € 900,-. Haar totale schade bedraagt dan ook (€ 3.060,- + € 900,- =) € 3.960,-. 4.3 Bij e-mailbericht van 17 november 2021 heeft verzoekster nog aangevoerd dat zij, anders dan verweerder meent, in 2018 niet een deel van de 45,86 kg fosfaatrechten (namelijk 15,33
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.