beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 20/783, 20/801 en 20/802 beslissing op het wrakingsverzoek van [naam 1] B.V., [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V., alle te [plaats] , verzoeksters. Procesverloop Tijdens de behandeling ter zitting op 8 april 2022 van de beroepen met bovenvermelde zaaknummers hebben verzoeksters een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter, mr. J.H. de Wildt, en de leden, mr. R.W.L. Koopmans en mr. M. Schoneveld, van de meervoudige kamer van het College die deze zaken behandelt. Die zaken hebben betrekking op beslissingen van de Kamer van Koophandel om op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek de rechtspersonen [naam 1] B.V., [naam 3] B.V. en [naam 2] B.V. te ontbinden. De rechters van de meervoudige kamer hebben op 8 april 2022 te kennen gegeven dat zij niet in de wraking berusten. Tevens hebben zij te kennen gegeven dat zij geen gebruik wensen te maken van de gelegenheid te worden gehoord. Het College heeft het verzoek om wraking van de rechters van de meervoudige kamer behandeld ter zitting van 8 april 2022, alwaar verzoeksters werden vertegenwoordigd door [naam 4] . Tijdens deze zitting hebben verzoeksters een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter, mr. S.C. Stuldreher, en de leden, mr. H.O. Kerkmeester en mr. A. Venekamp, van de meervoudige kamer die het eerst gedane wrakingsverzoek behandelt. Dit tweede wrakingsverzoek is ter beoordeling aan de onderhavige meervoudige kamer van het College overgedragen. Overwegingen 1. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 is bepaald dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel. 2. De wrakingsverzoeken van 8 april 2022 berusten beide op dezelfde grond. Volgens verzoeksters mogen rechters de aan hen voorgelegde zaken niet behandelen zolang zij geen machtiging kunnen overleggen, waaruit blijkt dat de ‘Volkentrust’ hun een mandaat heeft verleend om recht te spreken. De ‘Volkentrust’ is volgens verzoeksters een instantie van de Verenigde Naties. Het feit dat een door deze hoogste, wettige instantie verleend mandaat ontbreekt, betekent dat verzoeksters de (Nederlandse) wet- en regelgeving en rechterlijke instanties niet erkennen. In dit verband verwijzen zij naar de pauselijke brief (motu proprio) van 11 juli 2013. Uit deze brief volgt volgens hen dat iedereen een soeverein mens is waarover de wetgever en de rechtspraak geen jurisdictie hebben. Ook de uitspraken van het College erkennen verzoeksters, zonder bedoeld mandaat, niet. 3. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is hierbij echter niet doorslaggevend. 4. Ter onderbouwing van hun verzoek tot wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer hebben verzoeksters geen op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. Verzoeksters hebben immers slechts gesteld dat deze rechters het eerst gedane wrakingsverzoek alleen mogen behandelen als zij aantonen dat zij over een mandaat van de ‘Volkentrust’ beschikken en dat deze rechters, als die machtiging ontbreekt, zich als gewraakt moeten beschouwen. Het betoog van verzoeksters komt er dus op neer dat zij zich beroepen op een – in hun opvatting – voor iedere rechter geldende eis. Van een wrakingsgrond die gelegen is in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.