uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/604 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen B.V. [naam 1] , te [woonplaats] , appellante (gemachtigde: mr. A.K. van der Vis), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M. Wullink). Procesverloop Bij besluit van 23 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2020 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 23 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft op 26 april 2022 een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2022. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. In geschil is of verweerder appellante terecht niet heeft aangemerkt als actieve landbouwer en daarom haar verzoek om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2020 terecht heeft afgewezen. 2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante niet tijdig heeft aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarde dat zij actieve landbouwer is. Appellante stond ten tijde van de peildatum 15 mei 2020 niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) met een hoofdactiviteit landbouw, maar alleen met nevenactiviteiten landbouw. Evenmin heeft appellante tijdig met een accountantsverklaring aangetoond dat haar landbouwactiviteiten een belangrijk deel zijn van haar totale economische activiteit. Appellante heeft de Gecombineerde opgave 2020 (GO) op 15 mei 2020 ingediend en daarbij een accountantsverklaring gevoegd met betrekking tot het belastingjaar 2018. Dit was op dat moment niet het meest recente jaar waarvoor bewijs beschikbaar was, omdat de jaarrekening over 2019 al op 6 februari 2020 was gedeponeerd. Appellante heeft niet aangetoond dat het niet mogelijk was om bij de GO een accountantsverklaring met de meest recente gegevens over te leggen. De juiste accountantsverklaring is te laat overgelegd. 3. Appellante voert aan dat het landbouwbedrijf tot 2020 werd geëxploiteerd door een andere entiteit. Bij de overdracht van de betalingsrechten in juli 2019 werd geconstateerd dat appellante niet als actieve landbouwer stond geregistreerd in het handelsregister van de KvK. Appellante heeft toen via een accountantsverklaring gebaseerd op de jaarrekening/belastingjaar 2018 aangetoond dat zij wel voldoet aan de voorwaarden. De betalingsrechten zijn vervolgens alsnog bij appellante geregistreerd. Appellante heeft in het najaar van 2019 ook een wijzigingsformulier naar de KvK gestuurd om een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit te laten registeren maar dit formulier bleek door de KvK niet of niet juist te zijn verwerkt. Appellante is hier te laat achter gekomen. Bij de GO 2020, waarvan de sluitingsdatum korter dan een half jaar ligt na het indienen van voornoemde accountantsverklaring, is daarom dezelfde accountantsverklaring overgelegd in de veronderstelling dat dit voldoende moest zijn om uitbetaling van betalingsrechten te kunnen ontvangen. Toen uit het primaire besluit bleek dat deze accountantsverklaring niet voldoende was, heeft appellante alsnog een accountantsverklaring laten opstellen die zag op de jaarrekening/het belastingjaar 2019. De nadelige gevolgen van de afwijzing zijn voor appellante onvoorzien en onredelijk. De afwijzing is gebaseerd op een kennelijke formaliteit, terwijl appellant heeft aangetoond aan alle materiele voorwaarden te voldoen. Inmiddels is de registratie in het handelsregister van de KvK aangepast in die zin dat een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit staat vermeld. 4.1 Het College overweegt als volgt. 4.2 Artikel 9, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt – kort gezegd – dat de lidstaten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria kunnen besluiten dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.