uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/293 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2022 op het hoger beroep van: [appellant] , te [plaats] , appellant, tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 maart 2021, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen [betrokkene] , betrokkene (gemachtigde : mr. H.A. de Savornin Lohman). Procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 maart 2021, met nummer 20/1396 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2021:21). Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven. Op 7 april 2022 is dit hoger beroep ter zitting gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van appellant geregistreerd onder zaaknummer 20/
(2016)of niet (2017, 2018 en 2019) deponeren van de jaarrekeningen van [naam 13] door [naam 1] en het niet voldoen aan de toelichtingsvereisten bij de deponeringen door [naam 1] . Doordat betrokkene heeft nagelaten om, nadat zij zich bewust werd van voornoemde niet-naleving van wet- en regelgeving, de op grond van de geldende NV NOCLAR noodzakelijke stappen te nemen, heeft zij in strijd met die nadere voorschriften gehandeld. 4.2 Betrokkene handhaaft in hoger beroep haar (primaire) standpunt dat de NV NOCLAR hier niet van toepassing zijn. Zij wijst daarbij op artikel 19 van de NV NOCLAR, volgens welk artikel de nadere voorschriften op 1 januari 2019 in werking zijn getreden. De daarop in artikel 17 van de NV NOCLAR genoemde uitzonderingen missen hier, aldus betrokkene, toepassing. Nu appellant beide klachtonderdelen, en in lijn daarmee zijn hogerberoepsgronden, heeft gebaseerd op schending van de NV NOCLAR, dient het hoger beroep reeds om die reden ongegrond te worden verklaard. 4.3 Het College stelt vast dat de accountantskamer in onderdeel 4.7 van de bestreden uitspraak tot de conclusie is gekomen dat de door appellant gestelde directiefraude en gebrekkigheid van de jaarrekening 2016 van [naam 13] niet kan worden vastgesteld en dat daaruit logischerwijs voortvloeit dat niet is gebleken dat er voor betrokkene een noodzaak bestond om op grond van het bepaalde in de NV NOCLAR nadere actie te ondernemen. De accountantskamer heeft zich daarbij niet uitgelaten over het toepassingsbereik van de NV NOCLAR met betrekking tot de onderhavige zaak. Het College overweegt daaromtrent als volgt. 4.4 De NV NOCLAR, waarbij NOCLAR staat voor Non Compliance with Law and Regulations, ofwel het niet naleven van wet- en regelgeving, geven aan wat van accountants die een professionele dienst uitvoeren voor de eigen organisatie of voor de cliënt wordt verwacht en hoe zij moeten handelen als wet- en regelgeving (mogelijk) niet wordt nageleefd (of dreigt niet te worden nageleefd) door de cliënt of binnen de eigen organisatie. Het gaat hier om een nadere normstelling van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). De grondslag voor het vaststellen van de NV NOCLAR is te vinden in artikel 24 van de VGBA. 4.5 Voor het antwoord op de vraag of – zoals appellant heeft gesteld – betrokkene heeft nagelaten te handelen conform de in de NV NOCLAR opgenomen nadere voorschriften, zal het College – mede gelet op de betwisting door betrokkene – allereerst beoordelen of de NV NOCLAR op de gestelde niet-nalevingen van wet- en regelgeving van toepassing zijn. 4.6 De NV NOCLAR zijn in werking getreden op 1 januari 2019 (artikel 19 van de NV NOCLAR). In de onderdelen a tot en met c van artikel 17 van de NV NOCLAR is geregeld op welke ‘relevante niet-nalevingen’ de nadere voorschriften van toepassing zijn: a. een relevante niet-naleving die gedeeltelijk of geheel plaatsvindt op of na 1 januari 2019; b. een relevante niet-naleving die plaatsvond vóór 1 januari 2019 waarvan een accountant zich bewust wordt op of na 1 januari 2019 en die van belang is voor een professionele dienst die hij op of na 1 januari 2019 uitvoert; c. een relevante niet-naleving die plaatsvond vóór 1 januari 2019 waarvan een accountant zich bewust wordt vóór 1 januari 2019 en het proces van reageren op 31 maart 2019 nog niet is afgerond. 4.7 Appellant heeft gesteld dat betrokkene (in ieder geval) na indiening van de eerste klacht bij de accountantskamer in november 2019 op de hoogte is gesteld van het feit dat de jaarrekening 2016 van [naam 13] – opzettelijk – een onjuist en niet getrouw beeld gaf. Vanaf dat moment was betrokkene zich dus bewust van niet naleving van wet- en regelgeving binnen de eigen organisatie. Het College stelt vast dat de hier gestelde niet-naleving en het zich daar door betrokkene bewust van (moeten) zijn, wat betreft het tijdsverloop voldoet aan de in onderdeel b van artikel 17 van de NV NOCLAR beschreven situatie. Daarnaast is volgens onderdeel b (als cumulatieve voorwaarde) echter vereist dat sprake is van een niet-naleving die van belang is voor een professionele dienst die de accountant, in dit geval de betrokkene, op of na 1 januari 2019 uitvoert. Voor wat onder een professionele dienst wordt verstaan verwijst artikel 1 van de NV NOCLAR naar artikel 1 van de VGBA. In laatstgenoemd artikel wordt een professionele dienst gedefinieerd als: werkzaamheden waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend. Uit het voorgaande volgt dat de niet-naleving van belang moet zijn geweest in een situatie (op of na 1 januari 2019) waarbij betrokkene vakinhoudelijk betrokken is geweest. Nu bij de beoordeling van de eerste klacht al is vastgesteld dat niet is gebleken dat betrokkene persoonlijk bij het opstellen van de jaarrekening 2016 van [naam 13] (vakinhoudelijk) betrokken is geweest, en appellant verder geen andere werkzaamheden van betrokkene heeft gesteld, vóór noch ná 1 januari 2019, die als professionele dienst kunnen worden aangemerkt waarvoor de gestelde niet-naleving relevant zou kunnen zijn, wordt niet voldaan aan de tweede voorwaarde van onderdeel b van artikel 17 van de NV NOCLAR. Hiermee valt de gestelde niet-naleving wat betreft de jaarrekening 2016 van [naam 13] niet onder het toepassingsbereik van de NV NOCLAR. 4.8 Verder heeft appellant – verkort weergegeven – gesteld dat de onjuistheden in de jaarrekening 2016 van [naam 13] hebben geleid tot een onjuist en niet getrouw beeld in de opeenvolgende jaarrekeningen en/of balansen van 2017, 2018 en 2019 van [naam 13] , alsook tot de volgens hem onrechtmatige turboliquidatie van [naam 13] in
- Daarnaast stelt appellant dat sprake is van het te laat of niet deponeren van jaarrekeningen van [naam 13] en het niet voldoen aan toelichtingsvereisten. Betrokkene is volgens appellant – naar het College begrijpt – met deze niet-naleving van wet- en regelgeving binnen de eigen organisatie bekend geworden door middel van het door de financieel forensisch deskundige drs. M.P. Vegting van VHC opgestelde memorandum (desktopreview) van 7 juli
- Dit memorandum is – naast als bijlage bij het klaagschrift in deze tuchtprocedure – eerder als bijlage bij het aanvullend hogerberoepschrift van 10 juli 2020 in de in het kader van de eerste klacht gevoerde hogerberoepsprocedure overgelegd. Betrokkene heeft evenwel verzuimd om na het bekend worden met (de inhoud van) het memorandum de in de NV NOCLAR voorgeschreven stappen te ondernemen, aldus appellant. Nu de hier gestelde niet-nalevingen gedeeltelijk hebben plaatsgevonden na 1 januari 2019 is een situatie als benoemd in onderdeel a van artikel 17 van de NV NOCLAR aan de orde. Gelet op artikel 2 van de NV NOCLAR, waarin de nadere voorschriften van toepassing worden verklaard op iedere accountant die een professionele dienst uitvoert voor de eigen organisatie of voor de cliënt, gaat het ook hier om de vraag of betrokkene een professionele dienst, als bedoeld in artikel 1 van de NV NOCLAR in samenhang bezien met artikel 1 van de VGBA (zie hiervoor onder 4.7), heeft uitgevoerd. Deze vraag dient naar het oordeel van het College ontkennend te worden beantwoord, omdat van enige (vakinhoudelijke) betrokkenheid van betrokkene bij het [naam 13] -dossier ook na 2016 niet is gebleken. Dit betekent dat de gestelde niet-nalevingen die zien op de jaren 2017 tot en met 2019 niet onder het toepassingsbereik van de NV NOCLAR vallen. De tegen klachtonderdeel 1 gerichte hogerberoepsgronden slagen niet. 5.1 Ten aanzien van de beoordeling door de accountantskamer van klachtonderdeel 2, voert appellant aan dat hier evident sprake is van de bijzondere omstandigheden waar in onderdeel 4.8 van de bestreden uitspraak naar wordt verwezen. De bijzondere omstandigheden bestaan daaruit dat het door betrokkene ingenomen civielrechtelijke standpunt bewust misleidend, en daarmee te kwader trouw is, en zal door een objectief, redelijk en goed geïnformeerde derde die over alle relevante informatie beschikt, worden opgevat als het accountantsberoep in diskrediet brengend. Door partij te kiezen voor en samen te werken met de drie (voormalige) bestuurders van [naam 13] , heeft betrokkene willens en wetens actief meegewerkt aan het tot stand komen van onjuiste informatie en het onjuist informeren van de accountantskamer. In beide tuchtrechtelijke procedures zijn door betrokkene stellingen geponeerd die niet alleen onjuist en ondeugdelijk onderbouwd zijn, maar daarenboven irrelevant zijn voor de tegen haar gerichte klacht. Gezien de overweging van de accountantskamer in onderdeel 4.9 van de bestreden uitspraak dat het niet aan de accountantskamer is om relevante stellingen uit producties te destilleren, heeft appellant uit de vele onjuiste stellingen van betrokkene er tien geselecteerd en toegelicht dat en waarom die stellingen onjuist zijn. 5.2 Betrokkene betwist dat zij bewust onjuiste of misleidende standpunten heeft ingenomen en dat die standpunten alleen om die reden al te kwader trouw zijn. Appellant voert daar volgens betrokkene ook geen onderbouwing voor aan. Daarbij, ook indien er iets op haar stellingen valt af te dingen, dan nog blijft staan dat betrokkene nimmer direct betrokken was bij de behandeling van het [naam 13] -dossier. Daarnaast zijn ook door appellant – die zelf eveneens RA is – onjuiste stellingen/beweringen gedaan, zoals dat betrokkene in 2017 lid was van het managementteam van [naam 1] en dat zij betrokken was bij het [naam 13] -dossier. Later heeft de accountantskamer geoordeeld dat dit niet zo was. Dit onzorgvuldig handelen van appellant kwalificeert echter niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, net zoals dat dus geldt voor betrokkene met betrekking tot feiten van ondergeschikt belang die zij in het kader van haar verweer in de tuchtrechtelijke procedures naar voren heeft gebracht. 5.3 Het College stelt vast dat appellant in zijn klaagschrift dertien stellingen opsomt uit het door betrokkene in het kader van de tuchtprocedure over de eerste klacht bij de accountantskamer ingediende verweerschrift van 13 januari
- In bijlage II bij het klaagschrift zet appellant uiteen dat en waarom die dertien stellingen onjuist en misleidend zijn. Op de zitting bij de accountantskamer in de onderhavige tuchtprocedure, gehouden op 13 november 2020, heeft appellant bij zijn pleitnota (de eerder door de accountantskamer niet geaccepteerde) bijlage VII in aangepaste vorm (versie van 13 november 2020) overgelegd. Bijlage VII is ook als productie 9 bij het hogerberoepschrift overgelegd. In bijlage VII noemt appellant eerst twintig onjuistheden uit het verweerschrift van 4 september 2020, dat is het door betrokkene bij de accountantskamer ingediende verweerschrift in onderhavige tuchtprocedure, en herhaalt vervolgens de eerder door hem in het klaagschrift als onjuist benoemde dertien stellingen (afkomstig uit voornoemd verweerschrift van 13 januari 2020). De door appellant op die dertien stellingen gegeven toelichting, verschilt echter op een aantal punten van die in de eerder (als bijlage II) bij het klaagschrift overgelegde versie. 5.4 Het College stelt voorop dat een aanvulling of uitbreiding van de klacht niet mogelijk is in het kader van hoger beroep tegen een beslissing van de accountantskamer. Voor zover appellant in dit hoger beroep heeft gesteld dat het door betrokkene in de tuchtprocedure bij de accountantskamer ingediende verweerschrift van 4 september 2020 twintig onjuistheden bevat, is dit verwijt niet te herleiden tot de oorspronkelijke klacht, zodat het College dit nieuwe verwijt buiten beschouwing zal laten (vergelijk de uitspraak van het College van 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:17). 5.5 Wat er verder ook zij van de (on)juistheid van de dertien door appellant in het klaagschrift benoemde stellingen, het is vaste jurisprudentie van het College dat het een accountant is toegestaan in een zakelijk conflict een verdedigbaar civielrechtelijk standpunt aan zijn wederpartij kenbaar te maken, behoudens bijzondere omstandigheden (vergelijk de uitspraken van het College van 1 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:159 en 10 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:4). Deze maatstaf geldt naar het oordeel van het College ook in een situatie zoals hier aan de orde is, waarbij het handelen van een accountant in een eerder tegen haar gevoerde tuchtrechtelijke procedure onderwerp is van een nieuwe klacht (vergelijk de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:219). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat een accountant zich met het oog op de fundamentele beginselen anders had moeten opstellen, kan onder meer sprake zijn indien de accountant bewust een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen of indien de accountant in sterke mate kan worden verweten dat hij een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen. Zoals de accountantskamer in onderdeel 4.9 van de bestreden uitspraak terecht heeft geoordeeld, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat door betrokkene ingenomen standpunten in haar verweerschrift (van 13 januari 2020) op de eerste klacht bewust onjuist of misleidend waren. Van bijzondere omstandigheden die maken dat betrokkene zich anders had moeten opstellen in de tuchtprocedure over de eerste klacht is hier dan ook geen sprake. Deze hogerberoepsgrond faalt.
- De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
- De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants. Beslissing Het College verklaart het hoger beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.O. Kerkmeester en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli
- w.g. S.C. Stuldreher w.g. J.M. Baars