uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/183 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante (gemachtigde: [naam 2] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt). Procesverloop Bij besluit van 13 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) afgewezen. Bij besluit van 15 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting door een enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 juli
- Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Het College heeft vervolgens het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting door een meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 oktober
- Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Het College heeft op 8 november 2021 het onderzoek in deze zaak heropend en verweerder schriftelijk vragen gesteld. Bij besluit van 27 januari 2022 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, het primaire besluit herroepen en aan appellante subsidie toegekend op grond van de TVL. Met instemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Appellante heeft op 30 juni 2020 een subsidie op grond van de TVL aangevraagd. Aanvankelijk heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat het omzetverlies in de subsidieperiode in 2020 ten minste 30% bedraagt ten opzichte van de referentieperiode in
- Met het herzieningsbesluit heeft verweerder alsnog subsidie aan appellante toegekend op grond van de TVL. Daarmee is verweerder volledig tegemoetgekomen aan het beroep van appellante. Niet is gebleken dat appellante nog belang heeft bij een verdere beoordeling van het beroep.
- Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat het College het beroep niet meer inhoudelijk beoordeelt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
- Het College ziet in de uitkomst van deze zaak wel aanleiding om te bepalen dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 360,- dient te vergoeden, omdat verweerder aan het beroep tegemoetgekomen is. Beslissing Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan appellante te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. D. Brugman en mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli
- w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.M.J. Rouwers