uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/796 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2022 op het hoger beroep van: [naam 1] RA, te [plaats 1] , appellant (gemachtigde: mr. J.F. Garvelink), tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 juli 2020, gegeven op een klacht tegen appellant, ingediend op 1 februari 2019 door [naam 2] en [naam 3], in hun hoedanigheid van curatoren in de faillissementen van: a. [naam 4] B.V.; b. [naam 5] B.V.; c. [naam 6] B.V.; d. [naam 7] B.V.; e. [naam 8] B.V.; f. [naam 9] B.V.; g. [naam 10] B.V.; h. [naam 11] B.V.; i. [naam 12] B.V.; j. [naam 13] B.V.; k. [naam 14] B.V.; l. [naam 15] B.V.; m. [naam 16] B.V.; n. [naam 17] B.V. en o. [naam 18] B.V., (gemachtigde curatoren: mr. P.J. Passenier) Procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 juli 2020, met nummer 19/305 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2020:49) De curatoren hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De curatoren zijn eveneens verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende. 1.2 Appellant is sinds 18 september 1996 als registeraccountant ingeschreven in het register van (thans) de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (Nba) en is werkzaam bij [naam 19] te [plaats 1] . 1.3 Op 7 januari 2013 heeft appellant de opdracht bevestigd om de jaarrekeningen 2011 te controleren voor de volgende vennootschappen: - [naam 4] ; - [naam 5] ; - [naam 6] B.V. ( [naam 6] ); - [naam 8] B.V. ( [naam 8] ); - [naam 9] B.V. ( [naam 9] ). 1.4 Op 17 januari 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [naam 20] en [naam 21] , namens de [naam 7] -groep, en [naam 22] RA ( [naam 22] ) en E [naam 23] RA namens het controleteam van [naam 19] . Appellant stond aan het hoofd van het controleteam en was verantwoordelijk voor de controle. In een brief van 17 januari 2013, ondertekend door appellant en [naam 22] , zijn de aldaar gemaakte afspraken als volgt vastgelegd: “(…) Op basis van de thans ontvangen stukken en de door ons uitgevoerde werkzaamheden hebben wij de indruk dat de financiële positie van de vennootschappen onder druk staat en er een reële mogelijkheid is dat niet aan de toekomstige verplichtingen kan worden voldaan. Wij hebben hierover met u en de heer [naam 21] vandaag een gesprek gehad. Tijdens dit gesprek zijn wij het volgende met u overeengekomen: - u zult ons nadere informatie verstrekken, waaronder meerjaren, resultaat-, liquiditeits- en vermogensbegrotingen voor ieder afzonderlijk fonds en voor de groep van deelnemingen met [naam 4] B.V. aan het hoofd als geheel. -u zult een plan opstellen op basis van de hierboven beschreven stukken waaruit blijkt in hoeverre de vennootschappen nu en in de toekomst kunnen voldoen aan hun verplichtingen. Wij zullen dit plan uiterlijk 28 januari a.s. ontvangen. -u zult voor 31 januari a.s. een afspraak maken met de stichtingsbesturen van de gelieerde fondsen voor een gesprek waarin de besturen worden geïnformeerd over de situatie van deze fondsen. (…)” 1.5 Appellant heeft vervolgens zijn werkzaamheden in het kader van de controle van de jaarrekeningen 2011 van de hiervoor in 1.3 genoemde vennootschappen tot nader bericht opgeschort. 1.6 Op 28 januari 2013 heeft [naam 24] AA ( [naam 24] ), de voormalige accountant van de Weststaete-groep, per brief gereageerd op een door appellant gedaan informatieverzoek met betrekking tot Weststaete Hypofund. In deze brief vermeldt [naam 24] , voor zover relevant, dat ongunstige berichtgeving in de pers is verschenen over de aandeelhouder [naam 25] in verband met het faillissement van [naam 26] , waarbij [naam 25] eerder betrokken was. Verder meldt [naam 24] dat volgens hem onvoldoende fondsen zullen resteren om de hoofdsom van de obligaties op expiratiedatum ten volle te voldoen. Over de leiding van de vennootschappen verklaart [naam 24] dat [naam 20] directeur is en wellicht een stroman, omdat de zoon van [naam 25] , [naam 21] , zich intensief met het bestuur van de ondernemingen bezighoudt, zonder dat zijn bevoegdheid ergens is vastgelegd. 1.7 In januari 2013 is door [naam 4] een ‘Meerjarenplan [naam 4] B.V. en aan hem gerelateerde concerns’ (het herstelplan) opgesteld. Onderdeel van het herstelplan was dat in € 500.000,- van de liquiditeitsbehoefte van de obligatiefondsen zou worden voorzien door stortingen vanuit [naam 5] . Deze zouden worden betaald uit de nog te ontvangen structureringsvergoedingen en ‘performance fees’ in verband met nieuw te emitteren obligatiefondsen, waarbij vanaf januari 2013 tot augustus 2015 een totaal kapitaal van € 29.000.000,- (verspreid over drie obligatiefondsen) aangetrokken diende te worden. Voorts is in het herstelplan aangegeven dat kostenreductie diende plaats te vinden. Aangegeven was dat € 300.000,- bezuinigd kon worden op advies- en marketingkosten. 1.8 Op 7 februari 2013 heeft het controleteam de casus voorgelegd aan het (toenmalige) hoofd van het [naam 27] van [naam 19] , [naam 28] RA ( [naam 28] ). Blijkens een door [naam 22] opgesteld memo is tijdens dit overleg onder meer besproken of sprake was van een piramidespel en of de opdracht onder de gegeven omstandigheden gecontinueerd kon worden. Volgens [naam 28] was het om diverse redenen nog te vroeg om de conclusie te trekken dat sprake was van een piramidespel en kon de klantrelatie worden voortgezet. 1.9 Appellant heeft in februari 2013 de controle van de jaarrekeningen 2011 van de hiervoor in 1.3 genoemde vennootschappen weer ter hand genomen. 1.10 Op 19 juli 2013 heeft appellant goedkeurende controleverklaringen afgegeven bij de jaarrekeningen 2011. Appellant heeft verklaard dat de jaarrekeningen zijns inziens een getrouw beeld geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van deze ondernemingen. In de jaarrekeningen wordt naar het aangeleverde herstelplan verwezen, waarbij het herstelplan is aangeduid als ‘financieel plan’. 1.11 In januari 2014 heeft de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een inval gedaan in het kantoor van de Weststaete-groep. Hierbij is de administratie in beslag genomen. 1.12 Bij beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015 zijn de hiervoor onder a. t/m o. genoemde vennootschappen failliet verklaard. 1.13 De curatoren zijn als zodanig benoemd in de faillissementen van de vennootschappen. Uitspraak van de accountantskamer 2.1 De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Ten grondslag aan de klacht liggen de volgende verwijten: a. appellant heeft tijdens het gesprek met het management op 17 januari 2013 niet of te weinig doorgevraagd; b. appellant heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het doorlenen van gelden door [naam 9] aan [naam 6] en hij heeft hiernaar ten onrechte pas bij de eindbespreking met het management vragen gesteld; c. appellant heeft naar aanleiding van het door het management opgestelde herstelplan van 28 januari 2013, waaruit het voornemen tot het opzetten van een piramidefonds bleek, geen actie ondernomen; d. appellant heeft in het controledossier geen beoordeling opgenomen van de daadwerkelijk opgehaalde obligatiegelden van de fondsen in relatie tot de volgens de prospectussen beoogde opbrengsten, noch een analyse van het verschil en de gevolgen daarvan; e. appellant heeft in het controledossier geen beoordeling opgenomen van de aard en de omvang van de gedane investeringen in relatie tot de investeringen zoals aangekondigd in de prospectussen en in relatie tot de ontvangen obligatiegelden; f. appellant heeft in het controledossier geen beoordeling opgenomen ten aanzien van het niet aantrekken van bancaire financiering door [naam 6] ; g. appellant heeft ten onrechte geen nadere controlewerkzaamheden uitgevoerd naar de aard en omvang van de gemaakte fondskosten; h. appellant heeft in het controledossier ten onrechte geen beoordeling van de feitelijke leiding van het concern opgenomen; i. appellant heeft onvoldoende werkzaamheden verricht ten aanzien van de continuïteit van de onderneming; j. appellant heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de transacties met gerelateerde partijen en de kasopnames en betalingen aan de gelieerde partijen [naam 29] BV ( [naam 29] ) en [naam 30] GmbH ( [naam 30] ) vanuit [naam 5] ; k. appellant heeft ten onrechte geen FIU-melding gedaan op grond van artikel 15 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), dan wel een melding gedaan als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta). 2.2 In de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen b, c, d, e, f, g, h, i en j gegrond verklaard en de klachtonderdelen a en k ongegrond verklaard. Daarbij is aan appellant de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand. Beoordeling van het geschil in hoger beroep Ontvankelijkheid van de klacht 3.1 Appellant heeft in zijn eerste hoger beroepsgrond betoogd dat de accountantskamer de klacht ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, omdat deze is verjaard. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat [naam 3] al op 13 november 2014 in zijn hoedanigheid van curator van [naam 31] B.V. (een medeverdachte vennootschap) het strafdossier ontving. Dit strafdossier bevatte voldoende stukken om een vermoeden van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op te kunnen baseren. Curatoren wisten vanaf hun benoeming dat er een ernstige fraudeverdenking was en dat de bestuurders en aandeelhouders waren gearresteerd op verdenking van fraude en witwassen. Ook wisten zij dat dat er goedkeurende verklaringen waren afgegeven bij de jaarrekeningen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de curatoren ook met de informatie die zij na ontvangst van de administratie van de failliete vennootschappen op 23 november 2015 beschikbaar hadden, ruim vóór 1 januari 2016 redelijkerwijs het vermoeden hadden kunnen hebben van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door appellant. Dat de curatoren hebben gesteld nog niet meteen naar de stukken te hebben gekeken is volgens appellant geen relevante omstandigheid. Als je over de stukken beschikt kun je redelijkerwijs constateren wat uit die stukken blijkt. Dat geldt te meer als er niet te missen signalen zijn dat het nodig is naar de stukken te kijken. Na ontvangst van de administratie hadden de curatoren nog drie jaar de tijd om nader onderzoek te doen en de klacht nader te concretiseren en te onderbouwen met feiten, die mogelijk uit dat onderzoek naar voren zouden komen, zoals door stukken uit het in 2017 ontvangen controledossier. Met hun klacht van 1 februari 2019 zijn curatoren te laat. De klacht is volgens appellant daarom niet-ontvankelijk in verband met de driejaarstermijn. 3.2.1 Artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), zoals dat van 1 januari 2014 tot 1 januari 2019 luidde, bepaalde voor zover hier van belang, dat een ieder bij een vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep (Wab) door een accountant, binnen drie jaar nadat de klager heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat het handelen of nalaten in strijd is met het bij of krachtens de Wab bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep, door middel van een klaagschrift een klacht kan indienen bij de accountantskamer. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:199), gaat het voor het bepalen van de aanvang van de driejaarstermijn erom op welk moment sprake is van een situatie waarin een klager zodanige feiten heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat hij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten kon baseren. Bepalend is dus niet de vraag wanneer een klager een handelen of nalaten van een accountant op zichzelf heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren. Evenmin is vereist dat de klager volledig op de hoogte is van de exacte regelgeving voor accountants waarmee het handelen of nalaten (mogelijk) in strijd is. 3.2.2 Met ingang van 1 januari 2019 is de in artikel 22, eerste lid, van de Wtra genoemde driejaarstermijn komen te vervallen. Voorts is de klachttermijn tussen het moment van het handelen of nalaten en het moment van indiening van de klacht gewijzigd van zes jaar naar tien jaar. Ingevolge artikel 51 van de Wtra is deze nieuwe klachttermijn echter niet van toepassing als één van de oude klachttermijnen van drie jaar of zes jaar al was verstreken op 31 december 2018. 3.3 Het College overweegt dat niet in geschil is dat de zesjaarstermijn in dit geval niet is overschreden. Gelet op de in 3.2.1 en 3.2.2 genoemde wetgeving, geldt in dit geval als peildatum voor de driejaarstermijn 1 januari 2016. Dat betekent dat als het moment waarop sprake is van een situatie waarin klagers zodanige feiten hebben geconstateerd of redelijkerwijs hebben kunnen constateren dat zij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten konden baseren vóór 1 januari 2016 ligt, de klacht te laat is ingediend en wegens verjaring niet-ontvankelijk is. Als dit moment is gelegen op een datum op of na 1 januari 2016, is de klacht niet verjaard. 3.4 Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat de enkele omstandigheid dat de curatoren ten tijde van hun benoeming de beschikking hadden over het (omvangrijke) papieren strafdossier onvoldoende is om aan te nemen dat de curatoren daarop, zonder verdere concrete aanknopingspunten, redelijkerwijs een vermoeden konden baseren dat appellant van zijn handelen of nalaten (mogelijk) een tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. Een digitale index en de digitale versie van het strafdossier ontvingen de curatoren pas na 1 januari 2016. Het strafrechtelijk onderzoek was bovendien niet gericht tegen appellant maar tegen de vennootschappen en de feitelijk leidinggevenden. Voorts is naar het oordeel van het College de omstandigheid dat de administratie van de failliete vennootschappen op 23 november 2015 door de FIOD aan de curatoren ter beschikking is gesteld, eveneens onvoldoende voor de aanname dat reeds daardoor sprake was van een situatie waarin bij de curatoren redelijkerwijs een vermoeden kon ontstaan dat appellant van zijn handelen of nalaten (mogelijk) een tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. Bekendheid met de stukken in deze administratie houdt immers niet in dat de curatoren ook kennis droegen van de gegevens die door appellant als accountant in aanmerking zijn genomen bij de controle van de jaarrekeningen 2011 en de afwegingen die hij aan de hand van die gegevens heeft gemaakt, laat staan dat de curatoren daaraan enig vermoeden van tekortschieten van appellant bij die controle en bij het vastleggen van die gegevens en afwegingen in het controledossier konden ontlenen. Op 11 januari 2016 is door de curatoren een faillissementsverslag opgemaakt. De curatoren hebben verklaard dat eerst naar aanleiding hiervan in de loop van het eerste kwartaal van 2016 vragen opkwamen over het handelen of nalaten van appellant. Naar aanleiding van het vervolgens ontstane vermoeden is in juni 2016 bij appellant het controledossier opgevraagd. De curatoren hebben het controledossier van appellant ontvangen op 6 juli 2017. Het College kan niet precies vaststellen wanneer bij de curatoren redelijkerwijs een vermoeden kon ontstaan dat appellant van zijn handelen of nalaten een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Er zijn in elk geval geen aanknopingspunten te vinden dat zij vóór 1 januari 2016 hebben geconstateerd of redelijkerwijs hebben kunnen constateren dat het handelen of nalaten van appellant (mogelijk) in strijd is met het bij of krachtens de Wab bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. De driejaarstermijn verstreek dus niet voor 1 januari 2019, toen deze termijn door wijziging van de Wtra kwam te vervallen. De klacht is daarom niet verjaard. Het College is derhalve met de accountantskamer - zij het op andere gronden - van oordeel dat de klacht ontvankelijk is. De hiertegen gerichte hogerberoepsgrond slaagt niet. Gezamenlijke behandeling van de klachtonderdelen b, c, d, e, f, g en i 4.1 Appellant keert zich in zijn tweede hoger beroepsgrond tegen de gezamenlijke behandeling van de klachtonderdelen d, e, f en g met de klachtonderdelen b, c en i in de bestreden uitspraak. Deze klachtonderdelen zouden volgens de accountantskamer allemaal volgen uit het meer algemene verwijt dat appellant in het kader van de controle van de jaarrekeningen onvoldoende kritisch heeft gekeken naar het herstelplan. Anders dan de klachtonderdelen b, c en i, zien de klachtonderdelen d, e, f en g volgens appellant echter niet op het herstelplan en het onderzoek daarnaar. In de toelichting bij deze onderdelen in het klaagschrift wordt over het herstelplan niet gerept. De curatoren hebben tegen de verweren van appellant hieromtrent in eerste aanleg nauwelijks iets ingebracht. Enige weging van deze verweren ten aanzien van de klachtonderdelen d, e, f, g treft appellant in de uitspraak niet aan. Appellant is van mening dat de accountantskamer, door bovengenoemde klachtonderdelen allemaal gezamenlijk te beoordelen, klachtonderdelen gegrond heeft verklaard die zij niet op eigen merites heeft beoordeeld en dat zij verwijten die niet in het klaagschrift staan geformuleerd, gegrond heeft bevonden. Een en ander moet leiden tot vernietiging van de uitspraak ten aanzien van de klachtonderdelen d, e, f en g, aldus appellant. 4.2 Het College overweegt allereerst dat het appellant zelf was die een herstelplan noodzakelijk achtte alvorens hij bereid was zijn controlewerkzaamheden voor de Weststaete-groep voort te zetten. Dit omdat bij hem de indruk bestond dat de financiële positie van de vennootschappen onder druk stond en er een reële mogelijkheid was dat niet aan de toekomstige verplichtingen kon worden voldaan. Het management van de Weststaete-groep werd daarom gevraagd om nadere informatie, waaronder meerjaren-, resultaat-, liquiditeits- en vermogensbegrotingen, en moest op grond daarvan een herstelplan opstellen waaruit moest blijken in hoeverre de vennootschappen nu en in de toekomst konden voldoen aan hun verplichtingen. Dit betekent dat er bij appellant kennelijk serieuze zorgen bestonden over de continuïteit van de onderneming. De continuïteit van het concern was van groot belang omdat daarvan afhing of beleggers in de fondsen van het concern de beloofde rendementen zouden ontvangen en of zij hun inleg terug zouden krijgen. Zoals ook de accountantskamer terecht opmerkt, was het herstelplan cruciaal voor (de beoordeling van) de continuïteit van de vennootschappen. De klachtonderdelen d, e, f, en g noemen weliswaar niet expliciet het herstelplan, maar houden wél alle verband met de kwestie waarvoor het herstelplan was opgesteld, namelijk de continuïteit van de ondernemingen. Zo verwijten klachtonderdelen d, e en f – samengevat - appellant in het controledossier geen beoordeling te hebben opgenomen van de daadwerkelijk opgehaalde obligatiegelden van de fondsen, in relatie tot de beoogde opbrengsten, van de aard en de omvang van de gedane investeringen in relatie tot de investeringen en de ontvangen obligatiegelden én van het niet-aantrekken van bancaire financiering door [naam 6] , ondanks dat dit eerder was aangekondigd. Dat zijn allemaal beoordelingen die zonder meer zien op de verhouding tussen kosten en opbrengsten en daarmee op de continuïteit van de onderneming. Deze beoordelingen waren temeer van belang nu het uitgangspunt van het herstelplan juist gelegen was in verbetering van de liquiditeitspositie van het Weststaete-concern als geheel en in reductie van de kosten. Ook het verwijt in klachtonderdeel g, het onvoldoende uitvoeren van controlewerkzaamheden naar de aard en omvang van de gemaakte fondskosten, ziet op de continuïteit. Dat er hogere fondskosten waren gemaakt dan voorzien in de prospectussen, was één van de redenen voor het verzoek om een herstelplan. Deze klachtonderdelen konden daarom naar het oordeel van het College tezamen worden behandeld en beoordeeld. Dat de accountantskamer niet op alle klachtonderdelen afzonderlijk expliciet is ingegaan, doet daar niet aan af. De hogerberoepsgrond slaagt niet. Het onroerend goed van [naam 6] 5.1 In zijn derde hoger beroepsgrond betoogt appellant dat de accountantskamer, met haar oordeel dat appellant onvoldoende geschikte controle-informatie heeft vergaard met betrekking tot de waarde van het onroerend goed van het onderdeel [naam 6] , op ongeoorloofde wijze buiten de klacht is getreden, aangezien dit verwijt geen onderdeel vormt van de oorspronkelijke klacht. Het oordeel hierover dient dan ook te worden vernietigd en kan geen verdere rol spelen bij de beoordeling van de zaak. Appellant heeft overigens wel degelijk de nodige aandacht besteed aan de waardering van het onroerend goed van [naam 6] . Er waren twee rapporten van gerenommeerde taxateurs. Weliswaar ging het daarin om voorlopige inschattingen, maar dat betekent niet dat daarop niet kan worden gesteund. 5.2 Naar het oordeel van het College kan, gelet op de klachtonderdelen e en i, niet worden gezegd dat het verwijt dat appellant onvoldoende geschikte controle-informatie heeft vergaard met betrekking tot de waarde van het onroerend goed van [naam 6] , geen onderdeel zou vormen van de oorspronkelijke klacht. De continuïteit van de onderneming was, zoals hiervoor reeds overwogen, van groot belang. De (werkelijke) verkoopwaarde van het aangeschafte vastgoed in Duits vastgoed is zeker in dit geval van belang voor de continuïteit van de gehele onderneming. De obligatiefondsen draaiden immers geheel om de aanschaf van Duits vastgoed en de obligatiegelden werden ook alleen voor dat doel aangetrokken. De accountantskamer is niet buiten de klacht getreden en heeft op goede gronden geoordeeld dat appellant onvoldoende geschikte controle-informatie heeft vergaard met betrekking tot de waarde van het onroerend goed van [naam 6] . Het College is het met dit oordeel eens. De hogerberoepsgrond slaagt niet. Het doorlenen van geld door [naam 9] 6.1 Appellant betoogt in zijn vierde hogerberoepsgrond dat het gegeven dat [naam 9] een bedrag van € 1,2 miljoen heeft doorgeleend aan [naam 6] voor de aankoop van een pand in het [plaats 2] (klachtonderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.