uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/1033 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2022 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. J.H.L. Verheul-Verkaik en A.F.H. Noordman). Procesverloop Met het besluit van 3 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij (Besluit pelsdierhouderij) afgewezen. Met het besluit van 15 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2022. Hieraan hebben namens appellante deelgenomen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Namens verweerder hebben zijn gemachtigden deelgenomen. Het College heeft op 20 mei 2022 het onderzoek in deze zaak heropend en appellante verzocht nadere stukken in te dienen. Bij brief van 31 mei 2022 heeft appellante deze nadere stukken en een aanvullend beroepschrift ingediend. Bij brief van 20 juni 2022 heeft verweerder gereageerd op de nadere stukken en het aanvullend beroepschrift van appellante. Met instemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten. Vervolgens heeft het College het onderzoek in deze zaak gesloten. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Aanleiding voor deze procedure 2.1 Appellante is een familiebedrijf met nertsenhouderijen op meerdere locaties, waaronder, voor zover hier van belang, de locatie aan de [locatie] in [plaats 2] (de bedrijfslocatie). Deze locatie wordt beheerd door [naam 3] die tevens als certificaathouder belanghebbende is in het vermogen van appellante. 2.2 Op grond van artikel 2 van de Wet verbod pelsdierhouderij is het houden van pelsdieren verboden. Voor nertsenhouders die op 15 januari 2013 een nertsenhouderij hadden, geldt een overgangstermijn, waardoor zij onder bepaalde voorwaarden hun bedrijf kunnen voortzetten tot 1 januari 2024. Appellante heeft in 2018 besloten om haar nertsenhouderij op de bedrijfslocatie te beëindigen en het bedrijf om te vormen naar een potplantenkwekerij. Op 2 januari 2019 heeft appellante met de wethouder van de gemeente [gemeente] overleg gehad over de procedure voor de aanvraag van een tijdelijke vergunning voor een plantenopkweekbedrijf. Op dezelfde dag heeft een medewerker namens de gemeente [gemeente] appellante bericht dat de termijn voor een beslissing op de aanvraag voor een tijdelijke vergunning acht weken is. Daarna heeft appellante een investerings- en projectplan en een begroting opgesteld en is zij met de eigenaren van [naam 5] in overleg gegaan om mogelijkheden te onderzoeken voor een samenwerking in de potplantenkwekerij. In oktober 2019 hebben zij hierover overeenstemming bereikt. 2.3 Op 18 oktober 2019 heeft de gemeente [gemeente] van appellante de aanvraag ontvangen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het tijdelijk starten van een plantenopkweekbedrijf. Op 19 oktober 2019 is door appellante en de eigenaren van [naam 5] een intentieverklaring ondertekend voor de samenwerking voor de potplantenkwekerij. Hierin is onder meer opgenomen dat de voor de nertsenhouderij gebouwde ruimte zou worden omgebouwd tot een voor de potplantenkwekerij geschikte tuinbouwkas die op 1 maart 2020 in gebruik zou worden genomen. 2.4 Eind 2019 heeft [naam 5] voorbereidingen getroffen voor en geïnvesteerd in de op te starten gezamenlijke potplantenkwekerij door plantmateriaal, potgrond, potten en een tweede oppotmachine te kopen en extra arbeidskrachten in te zetten. 2.5 In december 2019 is de nertsenhouderij op de bedrijfslocatie beëindigd. De tijdelijke vergunning voor de potplantenkwekerij is dan nog niet verleend, omdat de gemeente nog in overleg is met de provincie over de benodigde bestemmingswijziging van de bedrijfslocatie van agrarisch naar glastuinbouw. In februari 2020 start appellante met de ombouw van de kas. 2.6 Op 16 maart 2020 is de omgevingsvergunning aan appellante verleend. 2.7 Appellante heeft op 20 april 2020 een subsidieaanvraag ingediend voor de ombouw van haar nertsenfokkerij naar een potplantenkwekerij op grond van de Regeling subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij (Regeling pelsdierhouderij). In de subsidieaanvraag is opgenomen dat appellante voornemens is haar project te starten met ingang van 1 februari 2020 en te eindigen op 1 september 2020. In de toelichting bij de aanvraag legt zij uit dat zij op grond van het vooraf door de wethouder van gemeente [gemeente] geschetste vergunningstraject heeft vertrouwd op de verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning uiterlijk in december 2019 - begin januari 2020. Op basis hiervan heeft zij in oktober 2020 bindende afspraken gemaakt voor de start van de potplantenkwekerij op 1 maart 2020. Hierdoor is er een overmachtssituatie ontstaan waardoor de start van activiteiten niet langer kon worden uitgesteld, aldus appellante. Besluiten van verweerder 3.1 Met het primaire besluit heeft verweerder de subsidieaanvraag van appellante afgewezen op grond van artikel 12, sub d, van het Besluit pelsdierhouderij, omdat appellante al voor de subsidieaanvraag is gestart met het slopen of ombouwen van de gebouwen of bouwwerken voor haar project. 3.2 Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Hierin heeft verweerder uiteengezet dat verweerder, aanvullend op het primaire besluit, de aanvraag ook op grond van artikel 12, sub a, van het Besluit pelsdierhouderij dient af te wijzen, omdat appellante al voor de aanvraag met haar nieuwe bedrijf is gestart. Bovendien acht verweerder het aannemelijk dat de activiteiten van appellante ook zonder vertraging, zonder subsidie zouden zijn uitgevoerd aangezien zij al voor het indienen van de subsidieaanvraag is gestart met haar project. De aanvraag van appellante moet ook op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en sub c, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies worden afgewezen, omdat het benodigde ‘stimulerende effect’ ontbreekt. Standpunten van partijen 4.1 Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte haar subsidieaanvraag heeft afgewezen. Weliswaar is zij voor het indienen van de subsidieaanvraag gestart met de ombouw van haar pelsdierenruimte, maar de reden hiervoor betreft een overmachtssituatie bestaande uit een combinatie van het seizoenspatroon in de plantenteelt en een vertraging in de gemeentelijke vergunningverlening. Op basis van de verwachte duur van het gemeentelijke vergunningstraject heeft zij met [naam 5] bindende afspraken gemaakt over de start vanaf maart 2020 met de plantenteelt in een gedeelte van de bedrijfslocatie. Op basis van het contact met de gemeente had appellante verwacht dat zij uiterlijk januari 2020 haar vergunning zou krijgen. Het vergunningstraject liep echter vertraging op. Omdat onder de toen geldende regeling de omgevingsvergunning als bijlage moest worden bijgevoegd, kon appellante de subsidieaanvraag niet tijdig indienen,. Tegelijkertijd kon appellante niet wachten met activiteiten voor de potplantenkwekerij, omdat uitstel in de plantenteelt zou betekenen dat er een heel jaar verloren zou gaan. Een jaar vertraging zou aanzienlijke schade met zich brengen, onder andere omdat [naam 5] al investeringen had gedaan. Daarom is appellante vanaf februari 2020 gestart met haar voorbereidingen en ombouwwerkzaamheden. Hierbij wijst appellante er op dat de Regeling pelsdierhouderij later is aangepast waardoor aanvragen nu wel kunnen worden ingediend voordat het traject van de vergunningverlening is afgerond. Onder het huidige regime had appellante dus haar aanvraag op tijd (voor de start van de activiteiten) kunnen indienen. 4.2 Verder stelt appellante zich op het standpunt dat, hoewel ze voor de aanvraag is gestart met de activiteiten, de subsidie voor haar een stimulerend effect had. Hierbij is van belang dat haar project omvangrijker is dan de ombouw van het eerste gedeelte van de pelsdierenruimte. Tot haar project behoort namelijk ook de ombouw van het tweede gedeelte van de pelsdierenruimte, alsmede de samenwerking met en toekomstige overname van [naam 5] . De subsidie is noodzakelijk om het hele project te voltooien. Dit blijkt uit het feit dat het tweede gedeelte van de ombouw nog niet is gerealiseerd; om dit te kunnen doen is de subsidie noodzakelijk. 4.3 Ter ondersteuning van haar standpunt en het belang van de subsidie voor appellante wijst zij op de beschouwing van de gemeente [gemeente] over de situatie, die is beschreven in door appellante overgelegde brieven en ter zitting toegelicht. De gemeente geeft aan de gang van zaken onterecht te vinden, omdat appellante met het oog op het verbod op de pelsdierhouderij juist meewerkte aan de noodzakelijke verandering van haar bedrijf. Door niet te wachten, zoals veel andere pelsdierhouders, heeft appellante de overheid veel geld bespaard. Het zou onterecht zijn als appellante de dupe wordt van verschillende proceduretermijnen die niet op elkaar aansluiten. Het is daarom formalistisch en niet evenredig om daaraan strikt vast te houden. 4.4 Tot slot wijst appellante er op dat er inmiddels ook sprake is van een nadeelcompensatieregeling voor pelsdierhouders die nog in bedrijf zijn. Omdat appellante al is gestopt met de pelsdierhouderij komt zij hiervoor niet meer in aanmerking waardoor zij tussen wal en schip is beland. 5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij terecht de aanvraag van appellante heeft afgewezen. Allereerst geeft de door appellante gestelde overmachtssituatie geen aanleiding om anders te beslissen, omdat de weigeringsgronden ingevolge het Besluit pelsdierhouderij leiden tot een gebonden beschikking. Verweerder heeft dus geen ruimte om anders te beslissen. Daarnaast gaat het bij het opstarten van de teelt in maart 2020 en de ontstane vertraging bij het verkrijgen van de voor de subsidie vereiste omgevingsvergunning niet om overmacht, maar om omstandigheden die tot de risicosfeer van appellante behoren. Voor zover appellante bovendien betoogt dat het starten met de ombouw van haar project vóór de subsidieaanvraag het gevolg is van het niet kunnen indienen van een aanvraag zonder omgevingsvergunning, wijst verweerder op het feit dat de subsidieaanvraag pas op 20 april 2020 is ingediend, terwijl de vergunning al op 16 maart 2020 is afgegeven. Dat de regelgeving op het punt van de aanvraag later is gewijzigd, maakt dit niet anders. Hierbij verwijst verweerder naar het overgangsrecht waarin is bepaald dat de regelgeving, zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van de wijziging van het Besluit pelsdierhouderij, van toepassing blijft op de subsidieaanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van die wijziging. Verweerder stelt ook dat het toekennen van de subsidie in strijd zou zijn met het Unierechtelijke staatssteunkader, omdat niet is aangetoond dat de subsidie een stimulerend effect heeft gehad. Beoordeling 6.1 Het College geeft verweerder gelijk. Verweerder heeft de subsidieaanvraag van appellante terecht afgewezen. Het College legt dit oordeel hierna uit. 6.2 Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit bepaalt dwingend dat afwijzend wordt beslist op een aanvraag om subsidie indien niet voldaan wordt aan de eisen inzake het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader. In artikel 12, aanhef en sub a en d van het Besluit pelsdierhouderij zijn de eisen van het stimulerend effect onder meer geconcretiseerd in de voorschriften dat geen subsidie wordt verleend voor zover de aanvrager al voor het indienen van de subsidieaanvraag in de te slopen of om te bouwen gebouwen is begonnen met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.