proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/363 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2022 in de zaak tussen [naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellante, (gemachtigde: mr. R. Oosterbroek) en de minister van Economische zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. W. Dam en mr. S.M. Piron). Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie voor appellante op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL-regeling) voor de periode juni, juli en augustus van 2020 (TVL1) vastgesteld op € 2.663,70 en een bedrag aan van € 1.370, 98 aan teveel ontvangen voorschot teruggevorderd. Bij besluit van 21 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft vervolgens de subsidie ingetrokken. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december
- Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing Het College: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de subsidie van appellante is ingetrokken; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan appellante te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,-. Overwegingen
- Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
- Appellante heeft het bestreden besluit zo opgevat dat de intrekking van de subsidie daarvan onderdeel uitmaakt. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de intrekking inderdaad onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Daarmee staat niet meer ter discussie dat het bestreden besluit tevens het besluit tot intrekking van de subsidie van appellante bevat. Het beroep van appellante is alleen gericht tegen die intrekking. Het beroep van appellante is niet gericht tegen de vaststelling.
- Verweerder is ter zitting teruggekomen op zijn standpunt dat appellante niet voldoet aan het vestigingsvereiste. Dit standpunt lag ten grondslag aan het intrekken van de subsidie van appellante. Nu verweerder is teruggekomen op zijn standpunt is er geen grondslag meer voor de intrekking. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven voor zover daarbij de subsidie van appellante is ingetrokken.
- Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de subsidie van appellante is ingetrokken. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand.
- Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december
- w.g. C.T. Aalbers w.g. A. Verhoeven