uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 21/1510 en 21/1511 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2022 op de hoger beroepen van: American Express Europese S.A. en American Express Carte France S.A. (American Express), te respectievelijk Madrid (Spanje) en Rueil Malmaison (Frankrijk), (gemachtigden: mr. S.M.C. Nuijten en mr. M. Hiemstra) enVisa Europe Limited (Visa), te Londen (Verenigd Koninkrijk), (gemachtigden: mr. W. Knibbeler en mr. M. Immerzeel) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2021, kenmerk ROT 21/275, 21/277 en 21/279, in het geding tussen Mastercard Europe S.A., (Mastercard), te Waterloo (België),(gemachtigde: mr. P Kuipers) International Card Services (ICS), te Diemen,(mr. M.M. de Haan) Magazijn De Bijenkorf B.V. (de Bijenkorf), te Amsterdam, (mr. J.M.M. van de Hel en mr. P. Breithaupt) Visa en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (gemachtigde: mr. dr. J. Mulder). Als derde-partij aan deze procedure hebben deelgenomen: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (KLM), te Amstelveen, (gemachtigden: mr. J.R. van Angeren en mr. R.P. Raas)Mastercard, ICS enDe Bijenkorf. Procesverloop in hoger beroep American Express en Visa hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 18 november 2021 (de aangevallen uitspraak). Op 23 maart 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden, alwaar partijen bij gemachtigden zijn verschenen. Bij brief van 16 mei 2022 zijn American Express en Visa in de gelegenheid gesteld duidelijk te maken of zij een procesbelang hebben bij de door hen ingestelde hoger beroepen. Bij brieven van 30 mei 2022 hebben American Express en Visa van die gelegenheid gebruik gemaakt. Bij brieven van 7 juni 2022, 9 juni 2022, 10 juni 2022, en 13 juni 2022 hebben respectievelijk ICS, KLM, ACM en De Bijenkorf daarop gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling ter zitting, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten. Grondslag van het geschil 1.1 Bij besluit van 22 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft ACM aan Mastercard en aan ICS een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekt dat (-) Mastercard aan ICS in het kader van hun bestaande en toekomstige samenwerking geen vergoeding betaalt die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde als bedoeld in artikel 4 in verbinding met artikel 5 van Verordening (EU) 2015/751 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (de Verordening), (-) dat ICS van Mastercard in het kader van hun bestaande en toekomstige samenwerking geen vergoeding verlangt (en ontvangt) die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde en (-) dat ICS in het kader van de co-brandingsamenwerking met de Bijenkorf aan laatstgenoemde geen vergoeding betaalt die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde. Aan de last is een begunstigingstermijn tot 22 januari 2021 verbonden. Bij het niet of niet tijdig opvolgen van de last verbeuren Mastercard en ICS per dag of gedeelte daarvan een dwangsom van € 250.000 tot een maximum van € 5 mln. 1.2 In de Verordening zijn regels gesteld over onder meer de hoogte van zogenoemde afwikkelingsvergoedingen die voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties betaald worden binnen een zogenoemd vierpartijenbetaalkaartschema (hierna ook: vierpartijenschema of 4PS) en binnen een zogenoemd driepartijenbetaalkaartschema (hierna: ook driepartijenschema) als dat schema samen met een co-brandingpartner op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft. 1.3 Mastercard exploiteert een vierpartijenschema. ICS is uitgever van kredietkaarten. ICS heeft met de Bijenkorf een zogenoemde co-brandingovereenkomst gesloten tot gezamenlijke uitgave van de Bijenkorf Card, die een kredietkaart is van Mastercard. Volgens ACM is de afwikkelingsvergoeding die Mastercard aan ICS in de periode van 1 januari 2016 tot 1 september 2019 heeft geboden en betaald aanzienlijk meer dan het in artikel 4 in verbinding met artikel 5 van de Verordening voorgeschreven maximum. Dat maximum bedraagt van 0,3% van de transactiewaarde dat geldt bij een vierpartijenschema in situaties waarbij het verkooppunt zich buiten de Europese Economische Ruimte (EER) bevindt en de uitgever en accepteerder zich binnen de EER bevinden. Verder moet volgens ACM ook de betaling van een uitgever in een vierpartijenschema aan een co-brandingpartner als afwikkelingsvergoeding worden aangemerkt en voldoen aan het in de Verordening gestelde maximum van 0,3% van de transactiewaarde. Volgens ACM is ook de afwikkelingsvergoeding die ICS aan co-brandingpartner de Bijenkorf in de periode van 1 januari 2016 tot 1 september 2019 heeft geboden en betaald aanzienlijk hoger dan het genoemde maximum van 0,3% van de transactiewaarde. 1.4 ACM heeft aan Mastercard en aan ICS een last opgelegd omdat Mastercard in het kader van de uitgifte van deze Bijenkorf Card volgens ACM een te hoge afwikkelingsvergoeding heeft betaald aan ICS. ACM heeft daarbij voorts aan ICS een tweede last opgelegd omdat zij in het kader van de uitgifte van deze Bijenkorf Card een te hoge afwikkelingsvergoeding heeft betaald aan de Bijenkorf. Uitspraak van de rechtbank
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.