COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/572 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2023 op het verzet van [naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming) Procesverloop De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 29 juli
- De minister heeft het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 14 december 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend. Bij uitspraak van 9 augustus 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De onderneming heeft tegen de uitspraak van 9 augustus 2022 verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 23 februari
- Aan de zitting heeft namens de onderneming [naam 2] deelgenomen. Overwegingen
- Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de onderneming haar beroepschrift buiten de beroepstermijn heeft ingediend.
- Uit de door de onderneming in verzet ingezonden nadere stukken blijkt dat het besluit van 29 juli 2021 is verzonden naar een oud adres van de onderneming. De onderneming heeft ter zitting verklaard dat zij dat besluit toen niet heeft ontvangen, maar daarvan op enig moment in september 2021 langs een andere weg alsnog kennis heeft gekregen. Verder blijkt uit die nadere stukken dat de minister op 29 november 2021 de onderneming heeft meegedeeld dat op 29 juli 2021 een beslissing op bezwaar is genomen. Het beroepschrift, overigens in de vorm van een aan de minister gericht bezwaarschrift, is gedateerd 18 maart 2022 en is op 22 maart 2022 bij het College ontvangen. Indien al zou moeten worden aangenomen dat de onderneming haar actuele adres tijdig aan de minister had doorgegeven of dat de minister op andere wijze van dat adres op de hoogte was en de beroepstermijn dus niet al 30 juli 2021 is gaan lopen, dan nog is het beroepschrift (veel) te laat ingediend. De onderneming heeft immers na de kennisneming van het besluit van 29 juli 2021 ten minste een half jaar en na de mededeling van de minister van 29 november 2021 bijna vier maanden gewacht met het indienen van een beroepschrift.
- Het College moet vervolgens vaststellen dat de onderneming ook in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. Wat de onderneming naar voren heeft gebracht heeft betrekking op de termijnoverschrijding in bezwaar en niet op de termijnoverschrijding in beroep. Het verzet is daarom ongegrond.
- De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- Het College wijst er tot slot op dat de onderneming in een brief van 9 juli 2022 de minister heft verzocht om terug te komen van het met deze uitspraak in rechte onaantastbaar geworden besluit van 14 december
- Als de minister op dat verzoek nog geen besluit heeft genomen, moet dat alsnog gebeuren. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april
- w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer