← Nederland

ECLI:NL:CBB:2023:212

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1979 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2023 in de zaak tussen [de vennootschap] B.V., te [plaats 1] , de vennootschap (gemachtigde: mr. G.B. de Jong), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister (gemachtigden: mr. M. van den Brink en C. Zieleman). Procesverloop Met het besluit van 17 maart 2022 heeft de minister geweigerd aan de vennootschap subsidie te verlenen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van

  1. Met het besluit van 12 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard. De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari
  2. Daaraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Van de kant van de vennootschap zijn ook verschenen [naam 1] , directeur van [naam 2] B.V. die eigenaar is van de vennootschap, en [naam 3] , financieel adviseur van de vennootschap. Overwegingen
  3. De vennootschap exploiteert een horecabedrijf in [plaats 2] . De eerste inschrijving van de vennootschap in het handelsregister was op 29 januari
  4. De vestiging in [plaats 2] is op 28 januari 2020 in het handelsregister ingeschreven per 1 december
  5. De vennootschap heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL voor het vierde kwartaal van
  6. Op het moment dat de vennootschap de aanvraag indiende, luidde artikel 2.5.3, leden 1 tot en met 3, van de TVL als volgt (Stcrt. 2021, 50124): “
  7. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
  8. De omzet in de referentieperiode is naar keuze van de aanvrager: de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2019 of de omzet in het eerste kalenderkwartaal van
  9. In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor een getroffen MKB-onderneming die na 30 september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister naar keuze van de aanvrager: de omzet in het derde kalenderkwartaal van 2020 of de omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister.”
  10. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vennootschap in de door haar gekozen referentieperiode – het vierde kwartaal van 2019 – geen omzet heeft gehad. Om die reden is er ook geen omzetverlies geleden, aldus de minister.
  11. De vennootschap wijst er op dat zij bij de aanvraag de inschrijfdatum van de rechtspersoon heeft opgegeven en dat zij toen alleen kon kiezen uit het vierde kwartaal van 2019 of het eerste kwartaal van 2020 als referentieperiode. De minister zou echter moeten uitgaan van het derde kwartaal van 2020 gelet op de datum van inschrijving van de vestiging in [plaats 2] in het handelsregister. In dat verband heeft de vennootschap ter zitting betoogd dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de inschrijving van de rechtspersoon en de inschrijving van de onderneming. Aanvankelijk was slechts sprake van een lege B.V. Pas door de inschrijving van de vestiging in [plaats 2] is volgens de vennootschap de onderneming in het handelsregister ingeschreven.
  12. Het College is van oordeel dat de redenering van de vennootschap niet opgaat. Uit het uittreksel van het handelsregister blijkt immers dat op 29 januari 2019 zowel de vennootschap als de onderneming is ingeschreven in het handelsregister. Artikel 2.5.3, derde lid, van de TVL is dan ook niet van toepassing.
  13. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niettemin een afwijkende referentieperiode had moeten hanteren. De door de vennootschap aangevoerde omstandigheden, waaronder dat zij zich nog moest oriënteren op een locatie voor het horecabedrijf, zijn niet zodanig dat de minister op dit punt had moeten afwijken van de TVL. De minister is daarom terecht uitgegaan van het vierde kwartaal van 2019 dat de vennootschap in de aanvraag als referentieperiode had opgegeven. Nu de vennootschap in die periode geen omzet heeft gehad, is ook geen sprake van een omzetverlies, en heeft de minister de gevraagde subsidie terecht geweigerd.
  14. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april
  15. De voorzitter is verhinderd te tekenen. w.g. A. Verhoeven

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.