ECLI:NL:CBB:2023:326
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/44 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2023 in de zaak tussen [zwembad] (zwembad), te [plaats] , appellante, en de minister voor Klimaat en Energie (minister), verweerder (gemachtigde: mr. J. van Essen).
Procesverloop Met besluit van 28 juni 2021 (het intrekkingsbesluit) heeft de minister de subsidie van het zwembad ingetrokken.
Met het besluit van 8 december 2021 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van het zwembad ongegrond verklaard.
Het zwembad heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2023. Aan de zitting heeft deelgenomen voor het zwembad [naam] . De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Aanleiding van deze procedure 2. Het zwembad heeft een subsidieaanvraag ingediend voor subsidie op grond van het Besluit Stimulering Duurzame Energieproductie (Besluit SDE). De aanvraag ziet op een productie-installatie voor zonthermie, met een vermogen van 140 kW. Als bijlage bij de aanvraag is een offerte bijgevoegd die ziet op het realiseren van hybride photovoltaïsche en thermische (pvt) zonnecollectoren in combinatie met een warmtepomp.
Intrekking van de subsidie 12. Het zwembad betoogt dat het onomkeerbare investeringen heeft gedaan, en daarvoor een lening is aangegaan, in de veronderstelling een subsidie te ontvangen. Dit komt mede door fouten die de minister heeft gemaakt. De offerte in de bijlage spreekt van pv panelen en de latere subsidie van ruim € 27.000,00 is toegekend op basis van pv panelen. Doordat de minister pas in een laat stadium, toen de panelen al in werking waren, de subsidie heeft ingetrokken, leidt het zwembad aanzienlijke financiële schade. Daarbij speelt ook mee dat het openstaande schulden heeft, onder andere vanwege een huurachterstand. Het is frappant dat de overheid bepaalt dat het zwembad € 152,00 per maand niet echt nodig heeft om het bedrijf voort te zetten. De minister had de subsidie niet mogen intrekken.
14 Op grond van artikel 62, eerste lid, van het Besluit SDE realiseert en exploiteert de appellante de productie-installatie overeenkomstig de gegevens zoals ingediend bij de aanvraag om subsidie. Op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, kan de minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Het College overweegt dat het zwembad, op grond van het verleningsbesluit en overeenkomstig artikel 62, eerste lid, van het Besluit SDE, verplicht was om de in de subsidieaanvraag genoemde pvt zonnecollectoren te installeren.
Dat is niet gebeurd. De minister was dan ook bevoegd op grond van artikel 4:48, eerste lid onder b, van de Awb de subsidieverlening in te trekken. Dat de minister in het intrekkingsbesluit, in het verweerschrift en ter zitting, heeft erkend dat het wijzigingsbesluit onjuist was doet hieraan niet af. Het wijzigingsbesluit heeft immers geen invloed gehad, noch kunnen hebben, op de vraag of het zwembad pv panelen of pvt collectoren zou plaatsen. Want op het moment dat het zwembad de minister de e-mail van 8 oktober 2020 toestuurde, met daarbij in bijlage de nieuwe offerte waarin wordt gesproken van pv panelen, lagen de zonnepanelen al op het dak en waren in werking. Daarmee is duidelijk dat het zwembad de investeringen toen al had gedaan en dat de pv zonnepanelen al waren gerealiseerd.
Met het oog op het behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen waarvoor het Besluit SDE een basis biedt, is van belang dat de minister voorafgaand aan de subsidieverlening een inschatting kan maken van de haalbaarheid van de aanvraag. Daar komt bij dat de subsidie wordt verdeeld op basis van volgorde van binnenkomst en een subsidieplafond heeft. Een aanvraag moet dan ook alle gevraagde, juiste informatie bevatten, zodat een beoordeling mogelijk is en de minister ervoor kan zorgdragen dat de aanvragers gelijke kansen krijgen. De intrekking van de subsidie gaat niet verder dan nodig is om deze doelen te bereiken. Het College acht het intrekkingsbesluit ook evenwichtig. Daarbij betrekt het College de stelling van het zwembad dat voor hem een bedrag van € 152,00 per maand niet van te verwaarlozen belang is.
Echter, dat het zwembad nadelig wordt getroffen door het intrekkingsbesluit, doordat wel zonnepanelen zijn gerealiseerd, weegt naar het oordeel van het College niet op tegen het belang van een doelmatige uitvoering van het Besluit SDE en het waarborgen van een gelijk speelveld voor de subsidie-aanvragers. Dat sprake is van financiële problemen bij het zwembad is niet met documenten onderbouwd.
Weigering van wijziging 9. Het zwembad voert aan dat het ook met de realisatie van pv zonnepanelen recht heeft op een subsidie van minimaal € 27.300 zoals verleend met het wijzigingsbesluit.
Slotsom 17. Het beroep is ongegrond.
Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. P.E.A. Chao, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2023. w.g. H.S.J. Albers De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te tekenen.
BIJLAGE: WETTELIJK KADER Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:4 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
Artikel 4:48 1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien: […] b.de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; […].
Besluit stimulering duurzame energieproductie Artikel 62 1. De appellante realiseert en exploiteert de productie-installatie overeenkomstig de gegevens zoals ingediend bij de aanvraag om subsidie. […] 3. Onze Minister kan voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van de realisatie of exploitatie van de productie-installatie in afwijking van de gegevens zoals ingediend bij de aanvraag om subsidie op voorafgaand verzoek van de appellante schriftelijk ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden. […].
Nota van toelichting bij Besluit stimulering duurzame energieproductie Artikel 62 Het is voor de Minister van Economische Zaken van belang een betrouwbare prognose te hebben omtrent de jaarlijks te verwachte productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling. Hij heeft deze informatie onder meer nodig om te kunnen beoordelen of de kabinetsdoelstellingen inzake hernieuwbare energie zullen worden gehaald. De Minister van Economische Zaken moet dus af kunnen gaan op zowel de korte als de lange termijn productieprognose van de appellante. Dit vergt dat de appellante bij de aanvraag om subsidieverlening een plan opstelt voor het in gebruik nemen en exploiteren van de productie-installatie. Van nog groter belang is echter dat de appellante de productie-installatie ook daadwerkelijk overeenkomstig dit plan realiseert en exploiteert. In artikel 62 is daarom deze verplichting opgenomen. Indien een appellante zich niet aan deze verplichting houdt, kan de Minister van Economische Zaken op grond van artikel 4:48 van de Awb de beschikking tot subsidieverlening intrekken of ten nadele van de appellante wijzigen.