uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1633 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , verzoeker ( [naam] ) en minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (gemachtigde: mr. T.D. van der Wal). Procesverloop De minister heeft in zijn brief van 16 augustus 2023 aangekondigd dat hij de aan [naam] opgelegde last onder bestuursdwang van 1 augustus 2023 zal uitvoeren op 21 augustus
- [naam] heeft hiertegen bij brief van 17 augustus 2023 bezwaar gemaakt. Hij heeft in diezelfde brief verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- Op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer als het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Daartoe bestaat in dit geval aanleiding.
- De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat [naam] in zijn verzoek van 17 augustus 2023 bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van de minister van 16 augustus
- In deze brief heeft de minister de uitvoering van de last onder bestuursdwang van 1 augustus 2023 aangekondigd. Deze aankondiging moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden gezien als feitelijk handelen van de minister. Het is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb, zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. De voorzieningenrechter verwacht dan ook dat de minister het bezwaar in zoverre niet ontvankelijk zal verklaren.
- De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als tegelijkertijd met het indienen van een verzoek tegen een besluit een bezwaarschrift bij de minister is ingediend. Voor de voorzieningenrechter is echter komen vast te staan dat [naam] geen bezwaar heeft ingediend tegen het besluit van 1 augustus
- De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat de last en de aangekondigde uitvoering naar hetzelfde adres is verzonden. Dit betekent dat er geen connexiteit is tussen het verzoek en een bezwaarschrift, terwijl dit wel is vereist op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb.
- Voor zover het verzoek van [naam] ook als een bezwaar tegen de last van 1 augustus 2023 moet worden begrepen, ontbreekt iedere argumentatie over het spoedeisend belang dat [naam] heeft bij opschorting van dit besluit. Bovendien blijkt uit dit besluit dat de begunstigingstermijn op 15 augustus 2023 zou verstrijken. [naam] had dus eerder een verzoek om voorlopige voorziening en een bezwaarschrift kunnen indienen als hij de uitvoering van de last door middel van een verzoek om voorlopige voorziening wilde tegenhouden.
- Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus
- De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te tekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: