uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2178 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigden: mr. T. Raats en mr. C. Ben-Lahcen) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. P. van Veen en mr. M. Achalhi) Procesverloop Met de besluiten van 22 december 2021 en 7 februari 2022 (afwijzingsbesluiten) heeft de minister de aanvragen van de onderneming afgewezen voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor respectievelijk de perioden januari tot en met maart (Q1) van 2021, april tot en met juni (Q2) van 2021 en juli tot en met augustus (Q3) van
(2022)216) wordt ook naar deze opsomming verwezen als de definitie van eigen vermogen. Omdat het begrip “eigen vermogen” een autonome en eenvormige betekenis heeft, is er geen ruimte voor nadere duiding aan de hand van doel en achtergrond van het begrip OIM, zoals de onderneming wenst. 8.3 Het College stelt vast dat leningen zoals in deze zaak aan de orde, niet vallen onder de elementen van “eigen vermogen” zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV. De door de onderneming aangehaalde vaste rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder een arrest van 25 november 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BN3442) en door haar overgelegde memo’s van het ministerie van Economische Zaken en [naam 5] Belastingadviseurs N.V. (PwC) van 5 juni 2023 kunnen daaraan niet afdoen, omdat het daarin gaat om nationale (en deels fiscaal-juridische) duidingen van de leningen. De minister heeft bij de beoordeling of de Groep een OIM is, zich terecht gebaseerd op het eigen vermogen zoals blijkt uit de commerciële balans in de jaarrekening over 2019 van de Groep en vervolgens terecht vastgesteld dat de onderneming een OIM is. Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel? 9.1 De afwijzing van de subsidie vanwege een strikte uitleg van artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV is volgens de onderneming in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat niet de daadwerkelijke financiële positie maar een boekhoudkundige formaliteit maakt dat de onderneming geen recht heeft op de TVL-subsidie. 9.2 Het College stelt vast dat artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV in samenhang met artikelen 2.2.18, eerste lid, aanhef en onder b, 2.3.18, aanhef en onder b, en 2.4.18, eerste lid, aanhef en onder b, van de TVL aan de minister een gebonden bevoegdheid geeft. Dit betekent dat de minister de subsidie niet kan verlenen als de onderneming een OIM is, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV. Het beroep van de onderneming op het evenredigheidsbeginsel komt er feitelijk op neer dat zij wenst dat de minister voorbijgaat aan de dwingende bepalingen van de AGVV. Het College vat het beroep van de onderneming dan ook zo op dat zij stelt dat artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten. 9.3 De vraag die moet worden beantwoord, is of een beroep op het nationale evenredigheidsbeginsel, het Unierecht opzij kan zetten. Het College is van oordeel dat dat niet kan. 9.4 Het College wijst in dit verband op de conclusie van Advocaat-Generaal (AG) L. Medina van 24 februari 2022 in de zaak C-36/21 (ECLI:EU:C:2022:134). Het ging in die zaak over het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel en de wijze waarop dat beginsel zich verhoudt tot datzelfde beginsel in het nationale recht. In de conclusie staat onder meer: “25. Voorts is van belang dat de vraag van de verwijzende rechter geen betrekking heeft op de toepassing van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel als rechtsgrondslag voor het doen gelden van rechten op betalingsrechten op grond van verordening nr. 1307/2013. 26. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen benadrukt, moet die mogelijkheid namelijk vooral worden uitgesloten op grond van de rechtspraak van het Hof volgens welke het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen niet tegen Unierechtelijke bepalingen kan worden toegepast die nauwkeurig en duidelijk zijn, zoals reeds in punt 20 hierboven is vermeld. Dat brengt mee dat het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel in een geval als dat van het hoofdgeding met het oog op de verkrijging van de rechten en voordelen waarin verordening nr. 1307/2013 voorziet, niet in de plaats kan komen van datzelfde beginsel naar het Unierecht. Anders zou het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel vanuit formeel oogpunt worden gebruikt als de norm voor de toepasselijkheid van die verordening, met als gevolg dat het nationale recht voorrang zou krijgen boven het Unierecht, waardoor het beginsel van voorrang van dat recht zou worden geschonden.” 9.5 In de navolgende opmerking van de AG ziet het College aanleiding om aan te nemen dat dit ook van toepassing is op het evenredigheidsbeginsel. “27. Bovendien moet ik eraan herinneren dat het op grond van het beginsel van voorrang van het Unierecht onaanvaardbaar is dat rechtsregels of beginselen van nationaal recht afbreuk doen aan de werking en eenheid van het Unierecht op het grondgebied van een lidstaat.” 9.6 Het Hof heeft in vervolg hierop in zijn arrest van 14 juli 2022 (ECLI:EU:C:2022:556) geoordeeld dat een justitiabele zich niet kan beroepen op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel of de nationale tegenhanger ervan om een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met een duidelijke Unierechtelijke bepaling. Daarin verwees het Hof naar onder meer de onderdelen 27 tot en met 30 van de conclusie van de AG, waarin de AG betoogt dat een beroep op het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel om een met het Unierecht strijdig voordeel te verkrijgen, afbreuk zou kunnen doen aan de voorrang, de doeltreffendheid en de eenvormige toepassing van het Unierecht in alle lidstaten (zie ECLI:EU:C:2022:556, onder 30). Hieruit volgt dat het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel (onderdelen van) de AGVV niet opzij kan zetten. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dus niet. Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel? 10.1 De onderneming voert aan dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De onderneming heeft diverse verzoeken in het kader van de Wet open overheid ingediend bij de minister. Uit de stukken die hierna openbaar zijn gemaakt, blijkt dat aan twee concurrenten van de onderneming TVL-subsidie is toegekend. Deze concurrenten zijn ten onrechte aangemerkt als een kleine of middelgrote onderneming (kmo) als bedoeld in de AGVV, omdat zij grote ondernemingen zijn. Bij deze ondernemingen is de toets of sprake is van een OIM niet gedaan en is ook niet gekeken naar de gehele groep, maar alleen naar de individuele onderneming. De minister heeft hierover tijdens de zitting opgemerkt dat in ieder geval in een van de gevallen geen sprake is van een grote onderneming. Daarnaast is niet bekend of de concurrenten, als zij al een grote onderneming zouden zijn, ondernemingen in moeilijkheden zijn. 10.2 Zoals in 9.1 tot en met 9.6 is overwogen, kan een beroep op het nationale evenredigheidsbeginsel, het Unierecht niet opzijzetten. Dit geldt ook voor het beroep op het nationale gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat de onderneming in juridisch relevant opzicht gelijk is aan de andere ondernemingen. Als dat zo is, dan is de subsidieverlening aan die ondernemingen in strijd met het Unierecht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel strekt er dan toe het Unierecht opzij te zetten en kan dus niet slagen. Is sprake van strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel 11 Het College volgt de onderneming niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is en onvoldoende is gemotiveerd en overweegt als volgt. Hoewel het College niet uitsluit dat sommige ondernemingen ten onrechte subsidie hebben ontvangen, omdat zij zijn aangemerkt als een kmo terwijl zij een grote onderneming zijn, betekent dit niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is. De onderneming is immers een grote onderneming en geen kmo. In zoverre is de minister dus uitgegaan van de juiste gegevens. Ook is verder niet gebleken dat de minister bij de besluitvorming in het geval van de onderneming onzorgvuldig is geweest. De minister heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de situatie van de onderneming en heeft een weloverwogen besluit genomen. Dat de minister in het bestreden besluit niet op alle informatie is ingegaan die door de onderneming is overgelegd, is gelet op het standpunt van de minister niet onbegrijpelijk. De minister gaat er immers van uit dat deze informatie niet relevant is voor zijn beslissing, omdat er volgens de minister geen twijfel bestaat over de interpretatie van de criteria in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV. Dat de onderneming het hiermee niet eens is, betekent nog niet dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Slotsom 12 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. J.H. de Wildt en mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024. w.g. M. van Duuren w.g. F. Willems Bijlage Verordening (EU) nr. 651/2014 van de commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (AGVV) Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 18. onderneming in moeilijkheden”: een onderneming ten aanzien waarvan zich ten minste één van de volgende omstandigheden voordoet: a. in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „vennootschap met beperkte aansprakelijkheid” met name de in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld en omvat het „aandelenkapitaal” ook het eventuele agio; […]
- c)wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;
- d)wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit;
- e)in het geval van een onderneming die geen kmo is: wanneer de afgelopen twee jaar: 1. de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en 2. de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0; […] Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak 3. Tijdelijke steunmaatregelen 3.1. Steun in de vorm van rechtstreekse subsidies, terugbetaalbare voorschotten of belastingvoordelen […] 22. De Commissie zal dergelijke staatssteun als verenigbaar met de interne markt beschouwen op basis van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan (de specifieke bepalingen voor de sectoren primaire landbouw en visserij en aquacultuur worden vastgesteld in punt 23): […] c. de steun mag niet worden toegekend aan ondernemingen die op 31 december 2019 al in moeilijkheden verkeerden (in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening); […] 3.12 Steun in de vorm van steun voor niet-gedekte vaste kosten 86. De lidstaten kunnen overwegen bij te dragen aan de niet-gedekte vaste kosten van de ondernemingen voor wie de COVID-19-uitbraak heeft geleid tot de opschorting of vermindering van hun bedrijfsactiviteiten. 87. Indien dergelijke maatregelen steun vormen, zal de Commissie deze op grond van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU als verenigbaar met de interne markt beschouwen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: […] f. Er mag geen steun worden verleend aan ondernemingen die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerden (in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening). In afwijking van het bovenstaande kan steun worden verleend aan micro- of kleine ondernemingen (in de zin van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening) die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerden, op voorwaarde dat zij niet onderworpen zijn aan een collectieve insolventieprocedure naar nationaal recht en dat zij geen reddingssteun of herstructureringssteun hebben ontvangen. Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 4:35, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager: a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) Paragraaf 2.2. Subsidie vaste lasten voor de periode januari, februari en maart 2021 Paragraaf 2.2.2. Subsidie vaste lasten voor grote ondernemingen Artikel 2.2.11. (begripsbepalingen) 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: […] groep: twee of meer in Nederland gevestigde ondernemingen als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die met elkaar verbonden zijn doordat zij een van de banden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, met elkaar onderhouden; grote onderneming: in Nederland gevestigde onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, niet zijnde een MKB-onderneming; […] Artikel 2.2.12. (verstrekking subsidie) 1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een grote onderneming, om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden januari, februari en maart 2021, met dien verstande dat indien een grote onderneming op het moment van aanvraag deel uitmaakt van een groep, subsidie slechts wordt verstrekt aan één grote onderneming die deel uitmaakt van die groep en namens de ondernemingen die deel uitmaken van die groep een aanvraag om subsidie indient. […] Artikel 2.2.18. (afwijzingsgronden) 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag: […] b. indien de grote onderneming of, indien een grote onderneming deel uitmaakt van een groep, de groep, al in moeilijkheden verkeerde, in de zin van artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, op 31 december 2019; […] Paragraaf 2.3. Subsidie vaste lasten voor de periode april, mei en juni 2021 Paragraaf 2.3.2. Subsidie vaste lasten voor grote ondernemingen Artikel 2.3.13. (begripsbepalingen) 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: […] groep: twee of meer in Nederland gevestigde ondernemingen als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die met elkaar verbonden zijn doordat zij een van de banden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, met elkaar onderhouden; grote onderneming: in Nederland gevestigde onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, niet zijnde een MKB-onderneming; […] Artikel 2.3.14. (verstrekking subsidie) 1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een grote onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden april, mei en juni van 2021, met dien verstande dat indien een grote onderneming op het moment van aanvraag deel uitmaakt van een groep, subsidie slechts wordt verstrekt aan één grote onderneming die deel uitmaakt van die groep en namens de ondernemingen die deel uitmaken van die groep een aanvraag om subsidie indient. […] Artikel 2.3.18. (afwijzingsgronden) 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag: […] b. indien de grote onderneming of, indien een grote onderneming deel uitmaakt van een groep, de groep, al in moeilijkheden verkeerde, in de zin van artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, op 31 december 2019; […] Paragraaf 2.4. Subsidie vaste lasten voor de periode juli, augustus en september 2021 Paragraaf 2.4.2. Subsidie vaste lasten voor grote ondernemingen Artikel 2.4.13. (begripsbepalingen) 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: […] groep: twee of meer in Nederland gevestigde ondernemingen als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die met elkaar verbonden zijn doordat zij een van de banden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, met elkaar onderhouden; grote onderneming: in Nederland gevestigde onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, niet zijnde een MKB-onderneming; […] Artikel 2.4.14. (verstrekking subsidie) 1. De Minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een grote onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden juli, augustus en september van 2021, met dien verstande dat indien een grote onderneming op het moment van aanvraag deel uitmaakt van een groep, subsidie slechts wordt verstrekt aan één grote onderneming die deel uitmaakt van die groep en namens de ondernemingen die deel uitmaken van die groep een aanvraag om subsidie indient. […] Artikel 2.4.18. (afwijzingsgronden) 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag: […] b. indien de grote onderneming of, indien een grote onderneming deel uitmaakt van een groep, de groep, al in moeilijkheden verkeerde, in de zin van artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, op 31 december 2019; […]