uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1227 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen The Equuleus Falabella Stud (TFS), te Bridgham (Verenigd Koninkrijk), (gemachtigde: M. Longone) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. P.J. Kooijman) Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de vereniging European Falabella Studbook (EFS), te Bronckhorst, (gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ) Procesverloop Op 18 november 2020 heeft EFS een aanvraag ingediend om erkenning als (dochter)stamboekvereniging en om goedkeuring van het fokprogramma voor het paardenras Falabella. Met het besluit van 15 april 2021 heeft de minister EFS de erkenning verleend en het fokprogramma goedgekeurd. Met het besluit van 5 december 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van TFS tegen het besluit van 15 april 2021 ongegrond verklaard. TFS heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De zitting was op 24 april 2024. TFS is daarbij vertegenwoordigd door [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde. EFS en de minister zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Verder hebben namens de minister [naam 4] en [naam 5] aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Inleiding 1. Het Falabella-paard is een klein paardenras dat oorspronkelijk afkomstig is uit Argentinië. Tot 2020 waren er in de Europese Unie twee (dochter)stamboeken erkend als stamboekvereniging, namelijk in Nederland de stamboekvereniging Falabella Stamboek Europa (FSE) en in het Verenigd Koninkrijk TFS. Beide stamboekverenigingen volgden de beginselen van de Argentijnse Asociación de Criadores de Caballos Falabella (ACCF). FSE heeft in 2020 haar stamboek overgedragen aan TFS. De minister heeft daarop de erkenning van FSE als stamboekvereniging ingetrokken. Na het uittreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie in 2021 is de erkenning van TFS als stamboekorganisatie op grond van Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan (Fokkerijverordening) vervallen. TFS is daarop door de Europese Commissie opgenomen op de lijst van fokorganen in derde landen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Fokkerijverordening. EFS heeft vervolgens de in het procesverloop genoemde aanvraag ingediend. Volgens het bestreden besluit is EFS erkend als dochterstamboekvereniging van het stamboek Mini Falabella dat wordt bijgehouden door Evaristo Falabella. Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Standpunt van partijen 3.1 Volgens TFS zijn alleen directe afstammelingen van de kuddes van Julio Falabella, die zijn gecertificeerd door ACCF, echte raszuivere Falabella-paarden. ACCF heeft als enige toestemming van de Argentijnse autoriteiten om de genealogische registers van Falabella-paarden te beheren. Het door EFS ingediende fokprogramma heeft weliswaar een relatie met het - niet door de bevoegde autoriteiten erkende - stamboek Mini Falabella van Evaristo Falabella, maar niet met het moederstamboek van ACCF. Daardoor zal de raszuiverheid van het Falabella-paard in gevaar komen. Ook zal door de erkenning van EFS als stamboekvereniging verwarring ontstaan op de markt voor Falabella-paarden. 3.2 Volgens de minister is de erkenning van een dochterstamboekvereniging in een lidstaat van de EU niet afhankelijk van goedkeuring of autorisatie door een stamboekvereniging van oorsprong of een derde partij. De voorwaarden voor erkenning als dochterstamboekvereniging zijn in dit geval – waarin het stamboek van oorsprong van een ras niet wordt bijgehouden door een stamboekvereniging van een lidstaat in de EU of een fokorgaan in een derde land – vastgelegd in Bijlage I, deel 3, punt 4b, van de Fokkerijverordening. EFS voldoet aan die voorwaarden. Een dochterstamboekvereniging als EFS hoeft, anders dan de stamboekvereniging die pretendeert het stamboek van oorsprong te zijn, niet aan te tonen dat er geen in een andere lidstaat of derde land erkende stamboekvereniging is. Het fokprogramma van EFS is gebaseerd op - en verschilt niet wezenlijk van - het fokprogramma van de voormalige (Nederlandse) stamboekvereniging FSE, dat de beginselen van ACCF volgde en in 2020 haar stamboekgegevens heeft overgedragen aan TFS. Zowel TFS als EFS verrichten afstammingscontrole op basis van DNA-analyse. 3.3 EFS meent dat zij terecht is erkend als dochterstamboekvereniging van het stamboek Mini Falabella. Beoordeling door het College 4.1 Uit het bestreden besluit, zoals toegelicht ter zitting, blijkt dat de minister de erkenning van EFS als dochterstamboekvereniging heeft gebaseerd op Bijlage I, deel 3, punt 4b, van de Fokkerijverordening. Het daarin bepaalde maakt het onder voorwaarden mogelijk een stamboekvereniging te erkennen die een dochterstamboek bijhoudt (dochterstamboekvereniging) in een geval waarin de beginselen van het fokprogramma uitsluitend worden vastgesteld door een internationale organisatie die op mondiaal niveau actief is én indien het stamboek van de oorsprong van dat ras noch door een stamboekvereniging in een lidstaat noch door een fokorgaan in een derde land wordt bijgehouden. 4.2 In zijn besluitvorming is de minister niet ingegaan op de vraag of Mini Falabella – waarvan EFS met het besluit van 15 april 2021 is erkend als dochterstamboekvereniging – valt aan te merken als ‘een internationale organisatie die op mondiaal niveau actief is’ als bedoeld in Bijlage I, deel 3, punt 4b, van de Fokkerijverordening, en ook ter zitting bleef die vraag onbeantwoord. Evenmin is duidelijk - en is door de minister niet onderzocht - of de beginselen van het fokprogramma ‘uitsluitend’ door Evaristo Falabella (Mini Falabella) worden vastgesteld. Verder erkent de minister dat hij niet met zekerheid kan vaststellen dat het stamboek van oorsprong ‘noch door een stamboekvereniging in een lidstaat noch door een fokorgaan in een derde land wordt bijgehouden’. Het standpunt van de minister dat EFS voldoet aan de voorwaarden, genoemd in Bijlage I, deel 3, punt 4b, van de Fokkerijverordening, berust daarom niet op een deugdelijke en inzichtelijke motivering. Naar het oordeel van het College heeft de minister voor een erkenning op deze grondslag onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden. 4.3 Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij deze uitkomst hoeven de overige beroepsgronden niet te worden besproken. 4.4 Het College beschikt over onvoldoende gegevens om de zaak definitief te beslechten. Ook de stukken van TFS en EFS geven daarvoor niet voldoende duidelijkheid. Het is nodig dat de minister eerst nader onderzoek doet naar de hiervoor in 4.2 bedoelde onduidelijkheden, dan wel naar een andere grondslag voor erkenning van EFS als stamboekvereniging. Op dit moment valt niet goed in te schatten hoe lang dit onderzoek zou moeten duren. Om deze reden ziet het College geen aanleiding de minister bij tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51a van de Awb een termijn te stellen om de gebreken in de besluitvorming te herstellen. 4.5 Het College zal gelet op het vorenstaande het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, tweede lid, van de Awb de minister opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Om dezelfde reden als hiervoor in 4.4 gegeven, zal het College geen termijn stellen voor het nemen van deze nieuwe beslissing. Als echter zou blijken dat de minister deze opdracht niet voortvarend ter hand neemt, kan TFS zich – met inachtneming van artikel 6:12 van de Awb – tot het College wenden met een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. 4.6 Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, zal het College de minister opdragen aan TFS het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing Het College: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- aan TFS te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. R.C. Stam en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024. w.g. J.L.W. Aerts w.g. H.G. Egter van Wissekerke Bijlage Artikel 2 van Verordening EU 2016/1012 (Fokkerijverordening) bevat onder meer de volgende definitie: 5) “stamboekvereniging”: een fokkersvereniging, fokkerij-organisatie of overheidsinstantie, anders dan bevoegde autoriteiten, die overeenkomstig artikel 4, lid 3, door de bevoegde autoriteit van een lidstaat erkend is met het oog op de uitvoering van een fokprogramma met raszuivere fokdieren die in de door haar bijgehouden of opgestelde stamboeken zijn ingeschreven; 7) „fokorgaan”: een fokkersvereniging, fokkerij-organisatie, privéonderneming, opfokbedrijf of officiële dienst in een derde land die, met betrekking tot als raszuivere fokrunderen, -varkens, -schapen, -geiten, -paarden of -ezels dan wel hybride fokvarkens, van een officiële dienst in dat derde land toestemming heeft verkregen voor de binnenkomst in de Unie van fokdieren voor het fokken; 8) “bevoegde autoriteiten”: de autoriteiten van een lidstaat die overeenkomstig deze verordening verantwoordelijk zijn voor:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.