uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/858 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] (de onderneming) (gemachtigde: A. Odijk) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 28 juni 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor de periode juni tot en met september 2020 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd. Met het besluit van 6 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard. De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Beoordeling Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is. De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat de onderneming niet heeft voldaan aan het vereiste in de TVL dat sprake moet zijn van ten minste 30% omzetverlies in de subsidieperiode ten opzichte van de referentieperiode. Uit de gegevens van de Belastingdienst is namelijk gebleken dat de onderneming een omzetverlies heeft van 15,3%. 3 De onderneming voert aan dat zij recht heeft op subsidie op grond van de TVL omdat haar omzetverlies 43,9% is. Bij de berekening van dit percentage heeft zij als referentieomzet de omzet van het tweede en derde kwartaal van 2019 gehanteerd. 4 Aan de orde is de vraag of de minister de referentieomzet op een juiste manier heeft berekend. In artikel 3, tweede lid, van de TVL staat omschreven wat de referentieomzet is voor de subsidieperiode juni tot en met september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.