uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 22/1965, 22/1966, 23/1126 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming) (gemachtigden: mr. J.M.M. Kroon en mr. L.D. van den Bosch) en de minister van Economische Zaken (gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. P. van Veen) Procesverloop Met het besluit van 2 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode juli, augustus en september (Q3) 2021 afgewezen. Met het besluit van 31 augustus 2022 (bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard. Met het besluit van 3 januari 2022 heeft de minister de subsidie voor de periode januari, februari en maart (Q1) 2021 op grond van de TVL vastgesteld op € 130.000,-. Met het besluit van 2 juni 2022 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 3 januari 2022 herroepen en de subsidie vastgesteld op € 510.490,55. Met het besluit van 31 augustus 2022 (bestreden besluit II) heeft de minister het besluit van 2 juni 2022 vervangen en het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 3 januari 2022 gehandhaafd. Met het besluit van 2 maart 2023 heeft de minister de subsidie voor de periode januari, februari en maart (Q1) 2022 op grond van de TVL vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 60.000 teruggevorderd. Met het besluit van 6 april 2023 (bestreden besluit III) heeft de minister het bezwaar van de onderneming gegrond verklaard, het besluit van 2 maart 2023 herroepen en de subsidie vastgesteld op € 75.000,-. De onderneming heeft tegen alle bestreden besluiten beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 4 april 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen voor de onderneming [naam 2] en [naam 3] en daarnaast de gemachtigden van de minister. Overwegingen Inleiding 1.1 De onderneming exploiteert sinds 1999 een bedrijf in de handel van IJslandse diepgevroren visproducten. Daarnaast importeert de onderneming andere vissoorten uit andere landen, zoals schol en tong. 1.2 De minister heeft de aanvragen van de onderneming voor subsidie op grond van de TVL in eerste instantie afgewezen dan wel op een bepaalde hoogte vastgesteld vanwege het bereiken van het staatssteunplafond dat geldt voor ondernemingen die vallen onder de definitie van visserij- en aquacultuursector. De onderneming is het hier niet mee eens, want zij zou alleen handelen in eindproducten van vis en valt daarmee dus niet onder de definitiebepaling. 1.3 Nadien, in het verweerschrift, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de onderneming sinds 3 april 2022 is verbonden met de [naam 4] B.V. Binnen deze groep is een aantal ondernemingen verbonden die actief zijn in de behandeling, bewerking, productie en distributie van vis en daarbij afgeleide producten. Dat betekent dat de staatssteungrens die geldt voor de visserij- en aquacultuur op de onderneming van toepassing is en de minister dus bevoegd was met inachtneming van de grens van het staatssteunplafond de subsidie af te wijzen (Q3 2021) dan wel vast te stellen (Q1 2021 en Q1 2022). 1.4. Dit betekent dat het College de vraag moet beantwoorden of, en zo ja, wanneer de onderneming is gaan behoren tot een groep en op welk moment moet worden beoordeeld of het staatsteunplafond van deze groepsonderneming is bereikt. Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Oordeel van het College 3.1 Het College stelt voorop dat TVL-subsidie staatssteun is in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Staatssteun is in beginsel verboden, maar de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (Tijdelijke kaderregeling) verruimt de mogelijkheden om staatssteun te verstrekken aan ondernemingen die zijn getroffen door de pandemie. In paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling zet de Europese Commissie uiteen welke vereisten gelden voor de verlening van deze staatssteun. Eén van die vereisten is dat de steun niet meer bedraagt dan het staatssteunplafond. Naarmate de pandemie voortduurde, is dat staatssteunplafond een paar keer verhoogd. Kortgezegd gold voor de visserij- en aquacultuursector tot en met Q3 van 2021 een staatssteunplafond van € 270.000,- en tot en met Q1 van 2022 een plafond van € 345.000,-. Behoort de onderneming tot een groep? 3.2 De minister heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar overzichten van de Kamer van Koophandel, gesteld dat de onderneming sinds 3 april 2022 is verbonden met de [naam 4] B.V. Tot die groep behoren ondernemingen die actief zijn in de behandeling, bewerking, productie en distributie van vis en daarbij afgeleide producten. Dit heeft de onderneming niet betwist. De vraag of de onderneming zelf actief is in de behandeling, bewerking, productie en distributie van vis en daarbij afgeleide producten, en of zij daarmee valt onder het staatssteunplafond voor visserij- en aquacultuur is daarom niet meer relevant. Is het staatssteunplafond voor de groep bereikt? 3.3 In de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:205) heeft het College geoordeeld dat de TVL twee momenten van beoordeling kent: het moment van de subsidieverlening en het moment van de subsidievaststelling. Op die twee beoordelingsmomenten moet worden beoordeeld of de onderneming voldoet aan de gestelde subsidievoorwaarden. Op die twee beoordelingsmomenten moet daarnaast worden beoordeeld of het staatssteunplafond is bereikt. Als dat staatssteunplafond is bereikt, is het namelijk verboden om subsidie te verlenen of vast te stellen, ook als aan de (overige) subsidievoorwaarden is voldaan. 3.4 Verder volgt uit de uitspraak van 19 maart 2024 dat, als sprake is van een groep van met elkaar verbonden ondernemingen, zowel op het moment van de subsidieverlening als op het moment van de subsidievaststelling moet worden beoordeeld of het staatssteunplafond ruimte biedt voor de verlening of vaststelling. Bij de vaststelling staat de totale staatssteun die is ontvangen door de groep waartoe de onderneming op dat moment behoort centraal. De vaststelling geeft immers een onvoorwaardelijke aanspraak op staatssteun en die moet voldoen aan de voorwaarden van de Tijdelijke kaderregeling. 3.5 De TVL biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt van de onderneming dat de status van de onderneming in de subsidieperiode doorslaggevend is voor de aanspraak op een subsidie. Hoewel de subsidie is bedoeld om de vaste lasten in een bepaalde periode te kunnen betalen, zijn het moment van verlening (dan wel afwijzing) en het moment van vaststelling de beoordelingsmomenten. Gelet op de specifieke kenmerken van de aard, het doel en de structuur van de TVL, moet op die momenten worden beoordeeld of aan alle subsidievoorwaarden is voldaan, omdat die beoordeling relevant kan zijn voor de vraag of het staatssteunplafond voor een onderneming of een groep van verbonden ondernemingen is bereikt. Door met gelijke beoordelingsmomenten te werken kan op een eenduidige manier worden bepaald of de ontvangen staatssteun boven het staatssteunplafond komt en wordt voorkomen dat verboden staatssteun wordt toegekend. 3.6 De minister heeft in het verweerschrift, aan de hand van een overzicht van de verleende en/of vastgestelde subsidies aan de onderneming, onderbouwd dat het staatssteunplafond is bereikt. De onderneming heeft dit overzicht niet betwist. Hieruit concludeert het College dat de minister de subsidie voor Q3 2021 terecht heeft afgewezen en de subsidie voor Q1 2021 en Q2 2022 terecht (lager) heeft vastgesteld. De onderneming behoorde immers op het moment van het nemen van de bestreden besluiten tot de groepsonderneming [naam 4] B.V. en op die momenten was het hiervoor geldende staatssteunplafond bereikt. 3.7 Tot slot heeft de onderneming aangevoerd dat noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (Kaderwet) noch de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een wettelijke grondslag bieden voor afwijzen dan wel lager vaststellen van de subsidie. Zoals het College in de in 3.3 en 3.4 genoemde uitspraak van 19 maart 2024 heeft geoordeeld volgt uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kaderwet dat de minister een subsidie lager kan vaststellen dan overeenkomstig de subsidieverlening voor zover subsidieverstrekking in strijd zou zijn met op grond van een verdrag voor de Staat geldende verplichtingen. Dat de minister in zo’n geval de subsidie lager moet vaststellen, volgt uit paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling. 3.8 Omdat de minister zich pas in het verweerschrift op het gewijzigde standpunt heeft gesteld dat de onderneming verbonden is geraakt met de groep [naam 4] B.V. zijn de bestreden besluiten in zoverre niet goed gemotiveerd (motiveringsgebrek). Dit neemt niet weg dat een besluit, ook als sprake is van een gebrek, in stand kan worden gelaten als aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Dat staat in artikel 6:22 van de Awb. Daarvan is in dit geval sprake omdat de onderneming nog steeds niet in aanmerking komt voor een subsidie op grond van de TVL. Slotsom 4 De beroepen zijn ongegrond. Vanwege het in 3.8 genoemde motiveringsgebrek ziet het College aanleiding te bepalen dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht (3 x € 365,- = € 1.095) aan haar moet vergoeden. Verder veroordeelt het College de minister in de door de onderneming in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.750,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in drie samenhangende zaken (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 875,- en wegingsfactor 1) en in de door de onderneming in de zaak 23/1126 in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.248,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting; waarde per punt € 624,- en wegingsfactor 1). Beslissing Het College: verklaart de beroepen ongegrond; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 1.095,- aan de onderneming te vergoeden; - veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 2.998,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024. w.g. J.H. de Wildt w.g. P.M. Beishuizen Bijlage Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Artikel 107, eerste lid Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun Artikel 2, tweede lid 2. Eén onderneming omvat voor de toepassing van deze verordening alle ondernemingen die ten minste één van de volgende banden met elkaar onderhouden: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.