uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/896 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2024 op het hoger beroep van: [naam 1] , te [plaats] , tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 februari 2023 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen [naam 2] RA, [naam 3] RA en [naam 4] RA (betrokkenen) (gemachtigde: mr. C.M. Harmsen) Procesverloop in hoger beroep [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 februari 2023, met nummers 22/847, 22/848 en 22/849 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:9). Betrokkenen hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven. [naam 1] heeft nadere stukken ingezonden, waaronder videobestanden. De zitting was op 18 juli 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , betrokkenen met hun gemachtigde. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende. 1.2 Betrokkenen zijn verbonden aan [naam 5] B.V. ( [naam 5] ). Als extern accountant waren zij successievelijk verantwoordelijk voor de controle van de jaarrekening van [naam 6] B.V. ( [naam 6] ). [naam 4] was dat voor de boekjaren 2014, 2015 en 2016, [naam 3] voor 2017, 2018 en 2019 en [naam 2] voor 2020 en 2021. 1.3 [naam 1] was van 2008 tot 2022 werkzaam bij [naam 7] B.V., dat een onderdeel is van [naam 6] . Vanaf 2015 heeft [naam 1] bij haar werkgever, en vanaf medio juni 2019 ook bij [naam 5] en de Autoriteit Persoonsgegevens, aangekaart dat bij haar werkgever de bescherming van persoonsgegevens onvoldoende is gewaarborgd. Uitspraak van de accountantskamer 2.1 De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt, samengevat, het volgende in. Bij de controle van de jaarrekening van [naam 6] over de boekjaren 2014 tot en met 2021, waarvoor zij successievelijk verantwoordelijk waren, hadden betrokkenen moeten vaststellen dat bij [naam 6] , althans [naam 7] B.V., sprake was van een ‘datalek’. Naar aanleiding daarvan hadden betrokkenen actie moeten ondernemen. Dit gelet op het bepaalde in Standaard 250 (Het in aanmerking nemen van wet- en regelgeving bij een controle van financiële overzichten) van de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (Standaard 250). 2.2 Blijkens de bestreden uitspraak achtte de accountantskamer de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. 2.3 De accountantskamer is, zoals zijzelf in de bestreden tuchtuitspraak heeft samengevat, van oordeel dat [naam 1] er niet in is geslaagd voldoende concreet en onderbouwd te stellen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten van betrokkenen. De klacht over het handelen of nalaten van [naam 4] bij de controle van de jaarrekening 2014 van [naam 6] is te laat ingediend. Beoordeling van het geschil in hoger beroep Standpunt [naam 1] 3.1 is het niet eens met het oordeel van de accountantskamer dat zij niet voldoende heeft onderbouwd waarom betrokkenen zich verwijtbaar hebben gedragen. Zij wijst erop dat zij in 2019 en 2021 een klacht met schriftelijke onderbouwing heeft ingediend bij (de geschillencommissie van) [naam 5] . Deze onderbouwing heeft zij in de klachtprocedure bij de accountantskamer aangevuld. Ook heeft zij tijdens de behandeling van de tuchtklacht ter zitting toegelicht dat zij betrokkenen verwijt dat zij een datalek van zo’n grote omvang als bij [naam 6] niet hebben gedetecteerd en genoegen hebben genomen met de mededeling van het bestuur van [naam 6] dat wet- en regelgeving worden nageleefd. [naam 1] vindt dat het College tot een ander oordeel moet komen dan de accountantskamer. 3.2 [naam 1] beroept zich in dit verband op twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uit het arrest van 12 januari 2023 in zaak C-132/21 (ECLI:EU:C:2023:2) volgt naar haar mening dat ook de accountantskamer kan beoordelen of van een datalek sprake is geweest. Uit het arrest van 12 januari 2023 in zaak C-154/21 (ECLI:EU:C:2023:3) blijkt volgens haar dat prioriteringscriteria voor een toezichthoudende autoriteit geen reden kunnen zijn een klacht niet verder te onderzoeken. [naam 1] is van mening dat de accountantskamer, wanneer zij een (ernstige) verdragsschending vaststelt, ook aan artikel 14 [in verbinding met artikel 8] van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden hoort te toetsen. Bij de accountantskamer heeft zij de stukken ingediend aan de hand waarvan de discriminatie van verschillende categorieën werknemers binnen [naam 6] kan worden onderzocht. Standpunt betrokkenen 4.1 Volgens betrokkenen is het hogerberoepschrift slechts een poging om de klacht in volle omvang opnieuw te laten beoordelen, maar zonder de daarvoor noodzakelijke gronden en/of onderbouwing te geven. Het hoger beroep zou wegens strijd met de goede procesorde niet-ontvankelijk of ongegrond moeten worden verklaard. 4.2 Met de inhoud van de bestreden uitspraak zijn betrokkenen het eens. Betrokkenen vinden het spijtig voor [naam 1] dat zij zich nog steeds niet voldoende gehoord voelt door [naam 6] en/of de Autoriteit Persoonsgegevens, maar anders dan zij lijkt te suggereren, zijn zowel betrokkenen als de accountantskamer wel degelijk inhoudelijk en gemotiveerd op haar klacht ingegaan. Ook in hoger beroep slaagt zij er niet in feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die kunnen leiden tot de conclusie dat betrokkenen zich tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gedragen. Beoordeling College 5 Voor het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep wegens strijd met de goede procesorde, zoals betrokkenen bepleiten, bestaat geen aanleiding. [naam 1] heeft in haar hogerberoepschrift wel degelijk gronden aangevoerd. 6 [naam 1] bestrijdt niet dat de klacht over het handelen of nalaten van [naam 4] bij de controle van de jaarrekening 2014 van [naam 6] te laat is ingediend. Dit gedeelte van de klacht is in hoger beroep dus niet meer aan de orde. 7 [naam 1] verwijt betrokkenen, kort gezegd, dat zij bij het controleren van de jaarrekeningen Standaard 250 niet hebben nageleefd. Volgens [naam 1] hebben zij nagelaten aan het licht te brengen dat er bij [naam 6] , althans [naam 7] , sprake was van een omvangrijk datalek. Hiermee doelt zij op een personeelssysteem ( [naam 8] ) dat bij haar werkgever in gebruik was. Personeel van haar werkgever kon daarin opgenomen (privacygevoelige) gegevens van het extern werkzame personeel inzien, ook als dat uit hoofde van hun functie niet noodzakelijk was. In haar brieven aan [naam 5] heeft [naam 1] gesteld dat de externe accountant ook het interne beheersingssysteem van de onderneming controleert en dat hij een significante tekortkoming in (de inhoud en effectieve werking van) dat systeem schriftelijk moet vastleggen en aan het bestuur van de entiteit moet melden. Het onderwerp hoort ook in de managementletter terug te komen. Uit de controle van het interne beheersingssysteem had volgens [naam 1] moeten blijken dat geen of in elk geval onvoldoende maatregelen waren getroffen om de wet- en regelgeving op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens na te leven. 8 In een tuchtprocedure als deze is het in beginsel aan de klager om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Anders dan [naam 1] meent, rust op de tuchtrechter niet de taak om op basis van informatie die zij in het kader van haar klacht heeft verstrekt vast te stellen of en in welke mate [naam 6] of [naam 7] wet- en regelgeving op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens heeft overtreden en evenmin of (als gevolg hiervan) personeel van het bedrijf ongelijk is behandeld. De tuchtrechter onderzoekt aan de hand van de feiten en omstandigheden die de klager naar voren heeft gebracht, en wat de accountant daartegen heeft aangevoerd, of er voldoende grond bestaat voor het oordeel dat de accountant zich tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen. De uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie die [naam 1] heeft aangehaald, maken dit niet anders. 9 De accountantskamer heeft er terecht op gewezen dat de verantwoordelijkheid om bepalingen uit de wet- en regelgeving na te leven, ligt bij de vennootschap zelf, bij het management en de met toezicht belaste personen. De accountant is verantwoordelijk voor het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid dat de financiële overzichten die door het bestuur van de onderneming zijn opgesteld als geheel geen afwijkingen van materieel belang bevatten die het gevolg zijn van fraude of van fouten. 10 In de verantwoordelijkheden van de accountant met betrekking tot het naleven van wet- en regelgeving maakt Standaard 250, paragraaf 6, onderscheid tussen twee categorieën van wet- en regelgeving. De wet- en regelgeving die naar de mening van [naam 1] niet is nageleefd, valt onder de tweede categorie. Deze categorie betreft overige wet- en regelgeving die geen directe invloed heeft op de vaststelling van de bedragen en toelichtingen in de financiële overzichten, maar waarvan het naleven van fundamenteel belang kan zijn voor de operationele aspecten van het bedrijf, voor de mogelijkheid van een entiteit om haar activiteiten voort te zetten of voor het voorkomen van sancties van materieel belang. Het niet naleven van wet- en regelgeving in de tweede categorie kan om die reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.