uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 24/600 en 24/601 uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Arriva Personenvervoer Nederland B.V., te Heerenveen (gemachtigden: mr. C.A.M. Lombert-Buisman en mr. D. de Jong) en het college van gedeputeerde staten van Fryslân (GS) (gemachtigden: mr. G. Verberne en mr. P.W. Juttman) met als derde partij Qbuzz B.V., te Amersfoort (gemachtigden: mr. P.F.C. Heemskerk en mr. I. de Jong) Procesverloop Bij besluit van 17 oktober 2023 (concessieverlening) heeft GS de concessie ‘busvervoer Fryslân 2024-2034’ (concessie) aan Qbuzz te verleend op grond van artikel 21 van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000) en de bieding van Arriva afgewezen. Bij besluit van 21 mei 2024 (bestreden besluit) heeft GS de bezwaren van Arriva en Qbuzz ongegrond verklaard. Arriva heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht de concessieverlening op te schorten hangende het beroep en vooruitlopend op de behandeling van het beroep GS te verplichten de inschrijvingen te (laten) beoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie. GS en Qbuzz hebben een reactie gegeven op het verzoek. Partijen hebben nadere stukken ingezonden. De zitting was op 23 september 2024. De gemachtigden hebben aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Inleiding 1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2 Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en de concessieverlening, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in de hoofdzaak. Achtergrond van het geschil 2 Arriva is de huidige concessiehouder voor het verrichten van openbaar busvervoer in de provincie Friesland. Deze concessie eindigt op 14 december 2024. Aangezien concessies voor openbaar vervoer op grond van artikel 61, eerste lid, van de Wp 2000 slechts worden verleend nadat daartoe een aanbesteding is gehouden, heeft GS de concessie voor de periode van 15 december 2024 tot en met 9 december 2034 openbaar aanbesteed. 3 De uitkomst van de aanbestedingsprocedure was voor GS reden om de concessie voor de volgende concessieperiode aan Qbuzz te verlenen. In totaal heeft Qbuzz een score van [… 1] van de [… 2] punten gekregen, terwijl Arriva een score van [… 3] punten heeft gekregen. Naar voorlopig oordeel gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de concessieverlening en de verlenings- en afwijzingsbrieven één besluit vormen. 4 GS heeft de afwijzing van Arriva met verbetering van motivering en de verlening aan Qbuzz gehandhaafd. Spoedeisend belang 5 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Arriva, gezien de aanvangsdatum van de concessie, een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Beoordelingsproces 6 Arriva stelt dat is afgeweken van de procedure in de aanbestedingsleidraad. De beoordelingscommissie heeft zich bij het vervoerplan (gunningscriterium G2) laten bijstaan door vervoerskundig bureau [naam] . Na de afronding van de beoordeling heeft [naam] een nieuwe versie van haar advies ‘Beoordeling Inschrijvingen G2 Vervoerplan’ opgesteld over verschillen tussen de vervoerplannen van Arriva en Qbuzz. Uit de begeleidende e-mail van 26 september 2023 volgt dat die aanvullingen voor de beoordelingscommissie geen rol kunnen hebben gespeeld. Hierdoor zijn ook de (zelfstandig) door [naam] geconstateerde verschillen in de concessieverlening gekomen, terwijl de aanbestedingsleidraad voorschrijft dat (alleen) de beoordelingscommissie de inschrijvingen beoordeelt. 7 GS betwist dat is afgeweken van de procedure in de aanbestedingsleidraad. De vervoerplannen in de inschrijvingen zijn door de beoordelingscommissie beoordeeld. De nieuwe versie van haar advies (met een concrete inventarisatie van de verschillen) heeft [naam] daarna opgesteld als hulpmiddel bij het opstellen van de motivering van de concessieverlening. 8 Qbuzz sluit zich aan bij het standpunt van GS en stelt dat Arriva de beoordeling van de inschrijvingen en de uitkomst daarvan verwart met de motivering in de concessieverlening. 9.1 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het (definitieve) oordeel over de rechtmatigheid van de concessieverlening toekomt aan de bodemrechter. De toetsing door de voorzieningenrechter is een terughoudende. 9.2 Uit de aanbestedingsleidraad volgt dat de beoordelingscommissie de inschrijvingen beoordeelt. Daarbij kan zij zich laten bijstaan door deskundigen. Na de beoordeling van de inschrijvingen stelt de beoordelingscommissie een proces-verbaal van de beoordeling (proces-verbaal) vast. Dat betekent dat de concessieverlening in essentie moet steunen op het proces-verbaal en niet op een daarna uitgebracht deskundigenadvies dat een wezenlijk afwijkende of aanvullende onderbouwing bevat dan het proces-verbaal. De betekenis van het aanvullend advies van [naam] kan de voorzieningenrechter in het midden laten, want het proces-verbaal is op zichzelf al voldoende dragend voor de motivering van de concessieverlening. Vervoerplan 10.1 Volgens Arriva heeft zij een te lage score gekregen voor haar vervoerplan. Ten onrechte rekent de beoordelingscommissie Arriva aan dat zij de effecten van de maatregelen die zien op kleine frequentiewijzigingen niet heeft onderbouwd. Voor het inschatten van groei-effecten bij grootschalige productverbetering kan onder andere gebruikt worden gemaakt van de methode Effecten Openbaar Vervoer (EffOV-methode), maar die methode is niet geschikt voor kleine frequentiewijzigingen. Dat leidt tot schijnnauwkeurigheid. 10.2 Qbuzz heeft, volgens Arriva, voor haar vervoerplan een te hoge score gekregen. Het Rijk heeft in januari 2024 financiële steun toegezegd voor aanvullende maatregelen in het openbaar busvervoer. Deze financiële middelen vallen vrij bij de implementatie van het vervoerplan van Arriva, want dat voorziet al in die maatregelen. Qbuzz biedt met haar inschrijving aanzienlijk minder vervoer aan dan Arriva. Het is dus onbegrijpelijk dat Qbuzz een hogere score voor haar vervoerplan heeft gekregen. 11.1 GS licht toe dat Arriva – anders dan Qbuzz –, hoewel de aanbestedingsleidraad hierom expliciet vraagt, bij veel maatregelen de verwachte positieve effecten (vooral de reizigersgroei) niet heeft onderbouwd. Ook indien de EffOV-methode niet geschikt is voor de kleinere maatregelen, betekent dat nog niet dat Arriva de effecten niet op een andere manier kan onderbouwen. Als Arriva de effecten van de maatregelen die zij voorstelt niet kan onderbouwen, dan moet zij ook de gevolgen daarvan accepteren. Arriva had zich vóór haar inschrijving moeten beklagen over de eisen in de aanbestedingsleidraad. 11.2 De financiële steun vanuit het Rijk speelt volgens GS geen rol bij de concessieverlening, want die is pas toegezegd na de aanbesteding. Bovendien heeft GS tot op heden geen besluit genomen over de besteding daarvan. 12.1 Qbuzz begrijpt dat Arriva de vereiste onderbouwing van een aantal aangeboden maatregelen achterwege heeft gelaten. Daar is Arriva terecht voor afgerekend bij de beoordeling van de inschrijvingen. 12.2 Qbuzz sluit zich aan bij het standpunt van GS dat de financiële steun vanuit het Rijk geen rol kan spelen bij de concessieverlening. 13.1 De aanbestedingsleidraad verlangt dat het vervoerplan is voorzien van een beschrijving van hoe de voorgestelde maatregelen bijdragen aan het bereiken van de voorgeschreven doelen (reizigersgroei, vergroten van de bereikbaarheid van de stedelijke en regionale kernen, het bereikbaar houden van het platteland en de klanttevredenheid). Daarbij moet onder andere het effect en de haalbaarheid worden onderbouwd. Een vervoerplan dat met relevante bewijsmiddelen is onderbouwd, wordt hoger gewaardeerd. 13.2 Het gaat daarbij dus om een kwalitatief gunningscriterium. Bij de beoordeling van zo’n criterium speelt onontkoombaar enige mate van subjectiviteit. Dat roept mogelijk enige spanning op met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het hoeft – op zichzelf – nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht c.q. die beginselen. Van belang is dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.