← Nederland

ECLI:NL:CBB:2024:789

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/590 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 op het verzet van [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer) en de minister van Economische Zaken (gemachtigden: mr. drs. G.O. Hoeksma en mr. S.M. Piron) Procesverloop De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 18 juni

  1. De zitting was op 17 oktober
  2. De gemachtigden van de minister hebben aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Met de uitspraak van 18 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:412) heeft het College het beroep van de ondernemer tegen het besluit van de minister van 2 februari 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode van juni tot en met september 2020 terecht op € 0,- heeft vastgesteld, omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De ondernemer heeft in het verzetschrift herhaald dat de verkoopopbrengst van de boot niet als omzet van zijn onderneming moet worden aangemerkt. De verkoop was nodig om de rekeningen te kunnen betalen en hoort niet bij de gewone bedrijfsvoering van de onderneming. Door de in de aangifte omzetbelasting opgegeven omzet te volgen gaat de minister voorbij aan de geest van de TVL. 3.1 Het betoog van de ondernemer dat de opbrengst van de verkoop van de boot niet tot de omzet behoort, heeft het College in zijn uitspraak van 18 juni 2024 besproken en verworpen onder verwijzing naar andere uitspraken van het College. De omstandigheid dat de verkoop van boten volgens de ondernemer niet tot de normale bedrijfsvoering behoort, is niet relevant. Volgens de gegevens van de Belastingdienst behoort de opbrengst daarvan wel tot de omzet. De minister is terecht uitgegaan van die gegevens. 3.2 Het betoog van de ondernemer dat de minister daarmee voorbijgaat aan de geest van de TVL, slaagt niet. Het College heeft in zijn uitspraak van 18 juni 2024 verwezen naar zijn vaste rechtspraak dat het de bewuste keuze van de regelgever is dat de minister om de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken de gegevens van de Belastingdienst gebruikt voor de berekening van het omzetverlies en dat dit geen onredelijk uitgangspunt is. 4 Het College stelt vast dat de ondernemer in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 18 juni 2024 niet juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november
  3. w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. M. Ettema

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.