uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1792 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigden: mr. E.H. van Maaren en mr. T.W.S. Mol) en de minister van Economische Zaken (gemachtigden: mr. G. Dam en mr. H.G.M. Wammes) Procesverloop Met het besluit van 8 februari 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 voor de periode juni tot en met september 2020 herzien en vastgesteld op € 0,- en de betaalde subsidie teruggevorderd. Met de besluiten van 26 oktober 2021 en 8 februari 2022 (intrekkingsbesluiten) heeft de minister de aan de onderneming verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 en het eerste kwartaal (Q1) van 2021 ingetrokken en de betaalde voorschotten teruggevorderd. Met het besluit van 31 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van de onderneming ongegrond verklaard. De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft de zaak op 3 oktober 2024 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de onderneming [naam 2] en [naam 3] en haar gemachtigden, en de gemachtigden van de minister. Overwegingen 1. De reden voor de vaststelling op € 0,- en de intrekkingen van de verleende subsidie is dat de onderneming – anders dan zij in de aanvragen had vermeld – niet een MKB-onderneming is, maar een grote onderneming. De onderneming erkent in beroep dat zij een grote onderneming is en dus niet voldoet aan de in de TVL vermelde definitie van MKB-onderneming. De onderneming erkent dat zij om die reden geen recht had op de aan haar verleende subsidie voor de periodes juni tot en met september 2020, Q4 van 2020 en Q1 van 2021. Dat de subsidie om die reden voor de periodes juni tot en met september 2020 en Q4 van 2020 respectievelijk is vastgesteld op € 0,- en is ingetrokken en dat betaalde subsidie en voorschotten zijn teruggevorderd, bestrijdt de onderneming niet. 2 De onderneming vindt echter dat zij voor de periode Q1 van 2021 recht heeft op subsidie voor grote ondernemingen en heeft de minister verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om daarvoor een aanvraag in te dienen. 3 De minister heeft hierover in het bestreden besluit opgenomen dat hij, ook wanneer de aanvraag zou worden omgezet naar een aanvraag als grote onderneming, geen subsidie kan verlenen. De onderneming maakt deel uit van een groep verbonden ondernemingen. Op grond van artikel 2.2.12, eerste lid, van de TVL kan maar aan één grote onderneming die deel uitmaakt van een groep, subsidie worden verleend. In dit geval is aan de zusteronderneming [naam 4] B.V. voor de periodes Q1, het tweede kwartaal (Q2) en Q4 van 2021 subsidie verleend. Daarmee is de staatssteungrens van € 2.300.000,- voor de gehele groep bereikt. Aan de onderneming kan dus geen subsidie worden verleend als grote onderneming. 4 Volgens de onderneming is dit standpunt van de minister niet juist. De onderneming en haar zusteronderneming [naam 4] B.V. (Nederlandse vennootschappen) maken weliswaar beide deel uit van een groep verbonden ondernemingen (de internationale [naam 5] ) maar de ondernemingen zijn volledig onafhankelijk en hebben een van elkaar onafhankelijk hotelmanagement. Zij houden geen aandelen in elkaar en hebben geen andere onderlinge banden. De enige verbondenheid is dat zij dezelfde moedermaatschappij hebben, [naam 6] . 5 Op grond van artikel 2.2.11, eerste lid, van de TVL wordt onder een groep verstaan: twee of meer in Nederland gevestigde ondernemingen als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die met elkaar verbonden zijn doordat zij een van de banden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, met elkaar onderhouden. 6 In artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening staat onder meer: “Eén onderneming” omvat voor de toepassing van deze verordening alle ondernemingen die ten minste één van de volgende banden met elkaar onderhouden: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.