← Nederland

ECLI:NL:CBB:2025:381

LEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1824 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] en de minister van Landbouw, Visserij, Voedsel

Artikel 1.7, sub f van het Besluit houders van dieren.

De cavia’s hebben geen toegang tot water van een passende/schone kwaliteit. Ik vroeg betrokkene wat hij de cavia’s voerde. Ik hoorde de betrokkene zeggen dat hij de cavia’s brok en wortelen geeft. Ik vroeg de betrokkene of hij de cavia’s hooi geeft. Ik hoorde de betrokkene zeggen dat hij geen hooi aan de cavia’s geeft.

Artikel 1.7, sub e van het Besluit houders van dieren.

Er is geen zorggedragen voor dat de cavia’s een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer toegediend kregen op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier. Ambtshalve is mij bekend dat cavia’s moeten onbeperkt hooi kunnen eten voor een gezonde vertering en voor de aanmaak van vitamine C. […] Ik zag dat de kanaries in verschillende kooien aan de muur worden gehouden. Ik zag dat er geen schoon drinkwater aanwezig was, het water wat aanwezig was, was vermengd met vogelontlasting, niet hygiënisch en niet van passende kwaliteit.

Artikel 1.7, sub f van het Besluit houders van dieren.

Ik zag dat er geen schoon en/of afdoende voer aanwezig was, het voer wat er lag was vermengd met ontlasting, niet hygiënisch, niet van passende kwaliteit en niet gezond.

Artikel 1.7, sub e van het Besluit houders van dieren.

[…].” Maatregel 1 Voer 5.2 In artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd is bepaald dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier. Kanaries 5.3 Het College is van oordeel dat uit de tekst van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd zelf al duidelijk volgt dat voer dat is vermengd met ontlasting niet als gezond en geschikt voer is te beschouwen. Hierbij komt dat in de toelichting bij het Bhd (Stb. 2014, 210, blz. 101) erop wordt gewezen dat een basisvoorwaarde voor een goede verzorging voor alle dieren (onder meer) voldoende schoon voedsel is. 5.4 In het toezichtrapport is vermeld dat de toezichthouder heeft waargenomen dat er op 7 april 2022 geen schoon voer aanwezig was voor de kanaries, omdat het voer dat er lag was vermengd met ontlasting, waardoor het niet hygiënisch, niet van passende kwaliteit en niet gezond was. [naam] heeft deze bevindingen ongemotiveerd betwist. Daarom ziet het College geen aanleiding deze voor onjuist te houden. Het College neemt hierbij mede in aanmerking dat van een toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van de Wet dieren, gelet op zijn expertise, mag worden verwacht dat hij in staat is vast te stellen of sprake was van voer dat met ontlasting was vermengd. Dat volgens [naam] , zoals hij op de zitting naar voren heeft gebracht, sprake was van een momentopname en hij de dieren de dag na de controle (wel) vers en schoon voer heeft toegediend, is daarom niet relevant. 5.5 De door [naam] ingebrachte dierenartsverklaring van 10 september 2022, waaruit volgens hem blijkt dat de kanaries in goede gezondheid verkeerden en de dieren volgens hem dus niet hebben geleden onder het aan hen toegediende voer, is bij de beoordeling van de vraag of artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd is overtreden ook niet relevant. Nog daargelaten dat de verklaring van de dierenarts van bijna een half jaar na de controle op 7 april 2022 dateert, houdt de norm van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd in dat aan dieren gezond en geschikt voer moet worden toegediend. Zoals de minister in het bestreden besluit terecht heeft overwogen, is het voor het kunnen vaststellen van een overtreding van die bepaling daarom niet noodzakelijk dat sprake is van gezondheidsschade bij de dieren op het moment van de controle. 5.6 Uit 5.3 tot en met 5.5 volgt dat de minister op basis van de bevindingen in het toezichtrapport terecht heeft vastgesteld dat wat betreft het aan de kanaries toegediende voer op de dag van de controle sprake was van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd. Cavia’s 5.7 Het College stelt voorop dat bij het opleggen van een herstelsanctie als een last onder dwangsom het lex certa-beginsel, zie artikel 5:4, tweede lid, van de Awb, een rol speelt. Dit beginsel houdt in dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar moet zijn. De wettelijke norm moet zo precies zijn dat iemand, zo nodig na advies, erdoor in staat wordt gesteld om in de gegeven omstandigheden in redelijke mate te voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben. Daarbij is het niet uitgesloten dat de wetgever zich van algemene termen, vage normen of doelvoorschriften bedient. In dit verband dient de vraag of een wettelijk voorschrift voldoet aan het lex certa-beginsel, mede te worden bezien in het licht van wat de bedoeling van de wetgever met het wettelijk voorschrift is geweest. 5.8 Het College is van oordeel dat uit de tekst van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd zelf niet duidelijk volgt wat voor een cavia een toereikende hoeveelheid gezond en voor die soort geschikt voer is. 5.9 In de nota van toelichting bij het Bhd (Stb. 2014, 210, vanaf blz. 63) is vermeld dat in de artikelen 1.6 tot en met 1.8 van het Bhd bepalingen zijn opgenomen met algemene normen voor de verzorging en huisvesting van dieren, die gelden voor alle categorieën houders van dieren. Vanwege de veelheid van dieren waarop deze bepalingen zien, is voor de vormgeving van deze bepalingen gebruik gemaakt van doelvoorschriften. De voorschriften bieden de houders daarmee de ruimte om die middelen te kiezen waarmee het beoogde doel kan worden verwezenlijkt. De wetgever heeft er daarbij op gewezen dat de mens als houder van een dier ten opzichte van het dier een eigen verantwoordelijkheid heeft, waarvan hij zich ten opzichte van het gehouden dier rekenschap moet geven, en waarnaar hij ook moet handelen. Zoals het College eerder heeft overwogen, ligt het op de weg van het bestuursorgaan dat handhavingsbesluiten als hier in geding neemt om te bewijzen dat sprake is van overtreding van het voorschrift ter handhaving waarvan dat besluit is genomen. Dit bewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd in de vorm van algemeen aanvaarde resultaten van (empirisch) wetenschappelijk onderzoek of door middel van door brancheorganisaties of andere organisaties van houders opgestelde gidsen voor goede praktijken. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 12 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:685) onder 6.

  1. 5.10 In het toezichtrapport is vermeld dat is geconstateerd dat [naam] zijn cavia’s voerde met brokken en wortels en niet ook met hooi en dat hij dit desgevraagd ook tegenover de toezichthouder heeft bevestigd. In het rapport is verder vermeld dat het de toezichthouder ambtshalve bekend is dat een cavia hooi moet eten en bij het rapport is de Huisdierenbijsluiter van het LICG inzake cavia’s gevoegd. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat uit die bijsluiter blijkt dat cavia’s onbeperkt hooi moeten kunnen eten en dat tijdens de controle is komen vast te staan dat geen hooi is gevoerd. In het verweerschrift heeft de minister in dit verband ook nog verwezen naar een deskundigenverklaring van 11 maart 2020 van specialisten Kleine zoogdiergeneeskunde van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht (deskundigenverklaring UU). 5.11 Het College stelt vast dat zowel in de Huisdierenbijsluiter inzake cavia’s van het LICG als in de deskundigenverklaring UU is vermeld dat cavia’s onbeperkt de beschikking moeten hebben over hooi. Verder is in zowel de bijsluiter als de verklaring vermeld dat het hooi in combinatie met niet meer dan 20 gram (per kilo lichaamsgewicht) per dag aan droogvoer in de vorm van brokken of korrels moet worden toegediend. In de verklaring is ten slotte vermeld dat cavia’s die geen ruwvoer zoals hooi krijgen een groter risico lopen op het ontwikkelen van gebits-, maagdarm- en gedragsproblemen. 5.12 Het College is van oordeel dat de minister met de verwijzing naar de bijsluiter van het LICG en de deskundigenverklaring UU voldoende heeft onderbouwd dat cavia’s onbeperkt de beschikking moeten hebben over hooi. [naam] heeft geen objectieve, verifieerbare, (wetenschappelijk) onderbouwde stukken ingebracht waaruit het tegendeel blijkt. Aan de dierenartsverklaring van 10 september 2022 die hij heeft ingebracht komt geen betekenis toe, nu daarin alleen is vermeld dat de cavia’s van [naam] altijd de beschikking hebben over volledig en commercieel vervaardigd caviavoer. Daarbij is niet uiteengezet waarom aan cavia’s, in weerwil van wat in de bijsluiter en de deskundigenverklaring UU is vermeld, niet (ook) onbeperkt hooi moet worden toegediend. 5.13 Als aan een cavia niet in onbeperkte mate hooi wordt toegediend, levert dit gelet op het voorgaande een overtreding op van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd. De invulling van deze wettelijke bepaling is voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar. Het College volgt [naam] niet in zijn standpunt dat de brokken en korrels die hij zijn cavia’s voert kunnen doorgaan voor hooi. [naam] heeft ter onderbouwing van dit standpunt in zijn bezwaarschrift slechts verwezen naar een niet nader genoemde site van de leverancier van de korrel waarop zou zijn omschreven wat een korrel bevat. Dat een korrel vezels afkomstig van onder meer luzerne en gras zou bevatten, leidt er niet toe dat daarmee is aangetoond dat het voeren van korrels kan worden gelijkgesteld aan het (onbeperkt) voeren van hooi. Uit 5.11 volgt dat in de Huisdierenbijsluiter over cavia’s van het LICG en de deskundigenverklaring UU expliciet een onderscheid wordt gemaakt tussen hooi en droogvoer in de vorm van (vezels bevattende) korrels. Die soorten voer moeten dus in combinatie met elkaar aan cavia’s worden toegediend. 5.14 Dat volgens [naam] uit de door hem ingebrachte dierenartsverklaring van 10 september 2022 blijkt dat de cavia’s in goede gezondheid verkeerden en zij volgens hem dus niet hebben geleden onder het aan hen toegediende voer, leidt niet tot een ander oordeel. Het College verwijst naar wat hij daarover onder 5.5 heeft overwogen. 5.15 Uit 5.7 tot en met 5.14 volgt dat de minister op basis van de bevindingen in het toezichtrapport in samenhang bezien met de Huisdierenbijsluiter van het LICG en de deskundigenverklaring UU terecht heeft vastgesteld dat ook wat betreft het aan de cavia’s toegediende voer op de dag van de controle sprake was van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd. Maatregel 2 Water 5.16 In artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd is bepaald dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen. 5.17 Het College is van oordeel dat uit de tekst van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd zelf duidelijk volgt dat water dat is vervuild of is vermengd met ontlasting niet als water van passende kwaliteit is te beschouwen. Hierbij komt dat in de toelichting bij het Bhd (Stb. 2014, 210, blz. 101) erop wordt gewezen dat een basisvoorwaarde voor een goede verzorging voor alle dieren (onder meer) voldoende schoon water is. 5.18 In het toezichtrapport is vermeld dat de toezichthouder heeft waargenomen dat er geen schoon drinkwater aanwezig was voor de kanaries, omdat het water dat aanwezig was, was vermengd met vogelontlasting en niet hygiënisch en niet van passende kwaliteit was. Van een drinkbak van één van de kanaries is een foto bij het rapport gevoegd. In het toezichtrapport is verder vermeld dat de toezichthouder heeft waargenomen dat waterflessen van de cavia’s vies waren aan de binnenkant en dat deze groen waren aangeslagen. Van één van de waterflessen is een foto bij het rapport gevoegd. 5.19 [naam] heeft deze bevindingen van de toezichthouder ongemotiveerd betwist. Daarom ziet het College geen aanleiding deze voor onjuist te houden. Het College neemt hierbij mede in aanmerking dat van een toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van de Wet dieren, gelet op zijn expertise, mag worden verwacht dat hij in staat is vast te stellen of sprake was van vervuild water of van water dat met ontlasting was vermengd. Voor zover [naam] bestrijdt dat meer dan één kanarie niet de beschikking had over water van passende kwaliteit, volgt het College hem daarin niet. Uit het rapport kan worden opgemaakt dat de toezichthouder verschillende drinkbakken in kanariekooien heeft bekeken. Dat één kanarie niet de beschikking had over water van passende kwaliteit, levert bovendien al een overtreding op. Dat volgens [naam] , zoals hij op de zitting naar voren heeft gebracht, sprake was van een momentopname en hij de dieren de dag na de controle (wel) vers en schoon water heeft toegediend, is daarom ook niet relevant. 5.20 Ook de door [naam] ingebrachte dierenartsverklaring van 10 september 2022, waaruit volgens hem blijkt dat zowel de kanaries als de cavia’s in goede gezondheid verkeerden en de dieren volgens hem dus niet hebben geleden onder het aan hen toegediende water, leidt niet tot een ander oordeel. Het College verwijst naar wat hij daarover onder 5.5 heeft overwogen. 5.21 Uit 5.16 tot en met 5.20 volgt dat de minister op basis van de bevindingen in het toezichtrapport terecht heeft vastgesteld dat zowel wat betreft het aan de kanaries als aan de cavia’s toegediende water op de dag van de controle sprake was van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Had de minister voor het nemen van het dwangsombesluit nog een hercontrole moeten verrichten? 6.1 Het betoog van [naam] dat de minister het dwangsombesluit niet had mogen nemen, omdat hij de maatregelen die in het dwangsombesluit aan hem zijn opgedragen al stelt te hebben getroffen voordat het besluit was genomen, slaagt niet. Het College legt hierna uit waarom. 6.2 Het College begrijpt het betoog van [naam] zo dat hij zich op het standpunt stelt dat de minister, voordat hij het dwangsombesluit wilde nemen eerst nog een hercontrole had moeten uitvoeren. Daarbij heeft hij mede aangevoerd dat de controle van 7 april 2022 slechts een momentopname betrof. Na die controle heeft [naam] , zo heeft hij op de zitting verklaard, zijn kanaries en cavia’s dagelijks vers water en voer toegediend. 6.3 Tussen de controle van 7 april 2022 en de datum waarop het dwangsombesluit is genomen, 22 april 2022, zitten vijftien dagen. In die periode heeft de minister geen hercontrole uitgevoerd. De eerstvolgende hercontrole is op 12 mei 2022, en daarmee na het dwangsombesluit, uitgevoerd. Zoals het College in zijn uitspraak van 28 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:38, onder 9.3) heeft overwogen, is de minister in beginsel niet gehouden om vlak voor het opleggen van een herstelsanctie (een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom) een hercontrole uit te voeren naar de actuele situatie wat betreft de naleving van de bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften, maar kan daartoe in bepaalde gevallen wel aanleiding bestaan. In dit geval bestond daartoe naar het oordeel van het College geen aanleiding. Het College neemt hierbij in aanmerking dat toen het dwangsombesluit werd genomen nog maar een korte periode was verstreken sinds de controle die was uitgevoerd op 7 april 2022 en dat er in die periode geen concrete aanknopingspunten waren voor een hercontrole. Verder is niet relevant dat de controle op 7 april 2022 een momentopname betrof (zie onder 5.4 en 5.19). 6.4 Voor het kunnen opleggen van een last die strekt ter voorkoming van herhaling van een overtreding, waartoe de voorliggende last mede strekt, is bovendien alleen relevant of een eerdere overtreding is gepleegd. Dat [naam] , naar hij stelt, na de controle van 7 april 2022 en voordat het dwangsombesluit was genomen de opgelegde maatregelen al had getroffen is in het kader van dat deel van de last dus niet relevant. Op 7 april 2022 was namelijk een (eerdere) overtreding geconstateerd. Slotsom 7 Het beroep is ongegrond. 8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli
  2. w.g. M. Schoneveld w.g. W.I.K. Baart

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.