uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/561 en 23/1314 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2025 in de zaken tussen Maatschap [naam 1] te [woonplaats] (maatschap) (gemachtigde: mr. A.E. Noordhuis) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels) en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat) Procesverloop 23/561 Met het besluit van 28 juni 2022 heeft de minister een randvoorwaardenkorting van 25% opgelegd op alle subsidies die de maatschap op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) voor 2021 heeft aangevraagd. Met het besluit van 12 januari 2023 (bestreden besluit 1) heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 23/1314 Met het besluit van 14 oktober 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling voor 2021 van de maatschap vanwege de opgelegde randvoorwaardenkorting van 25% herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de maatschap teruggevorderd. Met het besluit van 1 mei 2023 (bestreden besluit 2) heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De maatschap heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De minister heeft verweerschriften ingediend. Met het besluit van 23 april 2025 (gewijzigde bestreden besluit 1) heeft de minister het bestreden besluit 1 gewijzigd en, met herroeping van het besluit van 28 juni 2022 en vergoeding van bezwaarkosten, de randvoorwaardenkorting voor 2021 vastgesteld op 5%. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De zitting was op 1 mei 2025. Daar waren de gemachtigden van partijen en voor de maatschap ook [naam 2] ( [naam 2] ) en voor de minister ook [naam 3] aanwezig. De maatschap heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt. Overwegingen Inleiding 1.1 De minister heeft met een besluit van 29 november 2021 de subsidies van de maatschap op grond van het GLB voor 2021 vastgesteld op € 149.286,39. 1.2 In het kader van de zogenoemde 1% Cross Compliance controle (inhoudend dat minimaal 1% van de landbouwers die in 2021 GLB-subsidies hebben aangevraagd, gecontroleerd wordt op naleving van de voorwaarden in het kader van de aanvraag om Europese inkomenssteun) hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), onder wie [naam 3] voornoemd, op 6 oktober 2021 het bedrijf van de maatschap bezocht. Volgens het daarvan opgemaakte inspectieverslag hebben zij onder meer geconstateerd dat mestvocht van een mestopslag via een kort geleden dichtgemaakt gootje naar de naastgelegen sloot was gelopen. Ze hebben ook geconstateerd dat het strooisel in een deel van de overdekte uitloop naast de kippenstal nat en blubberig was en dat twee kippen daarin vastzaten en dat daar ook twee dode kippen lagen. Verder hebben zij geconstateerd dat de registratie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet goed was bijgehouden. 1.3 De toezichthouders hebben over hun bevindingen ten aanzien van de mestopslag contact opgenomen met het Waterschap [naam 4] . Op 15 oktober 2021 hebben twee toezichthouders van het waterschap de mestopslag bezocht. In een brief van 25 oktober 2021, die als bijlage deel uitmaakt van het inspectieverslag van de NVWA, heeft het waterschap aan de maatschap meegedeeld dat er ten tijde van het bezoek sprake was van een overtreding. Er werd mestvocht en/of verontreinigd hemelwater geloosd vanaf de tijdelijke mestopslag in het naastgelegen oppervlaktewater. De opslag van vaste mest op het verharde terrein was niet voorzien van een opvangvoorziening voor vrijkomende vloeistoffen. In de brief staat verder dat het waterschap geen verdere straf- of bestuursrechtelijke maatregelen neemt, omdat bij een nadere controle op 16 oktober 2021 is vastgesteld dat de maatschap direct is overgegaan tot het uitvoeren van afgesproken maatregelen. 1.4 De minister is op grond van het inspectieverslag tot de conclusie gekomen dat de maatschap in 2021 de volgende randvoorwaarden op het gebied van respectievelijk ‘Milieu’, ‘Dierenwelzijn’ en ‘Gezondheid’ niet heeft nageleefd: - de verplichting de mestopslag (en/of de opslag van kuilvoer) te onderhouden en maatregelen te nemen om te voorkomen dat verontreiniging ontstaat door het weglekken van vloeistoffen met mest (en opgeslagen plantaardige materialen), zoals onder meer neergelegd in artikel 3.65 van de Activiteitenregeling Milieubeheer (Activiteitenregeling). De minister had daarvoor aanvankelijk een korting van 20% opgelegd omdat hij uitging van opzet, maar heeft die korting in het gewijzigde bestreden besluit 1 vastgesteld op 3%, omdat hij bij nader inzien uitgaat van nalatigheid; - de in artikel 1.8, tweede lid, van het Besluit houders van dieren neergelegde verplichting behuizingen waarin een dier verblijft en de inrichting voor de beschutting van dieren zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt. De minister heeft daarvoor, uitgaande van nalatigheid, een korting opgelegd van 3%; - de verplichting om als exploitant van een levensmiddelenbedrijf een registratie bij te houden van alle gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en van biociden, als neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Verordening 852/2004 en Bijlage I, deel A, onder III, onder 9a en 9c van die verordening. De minister heeft daarvoor, uitgaande van nalatigheid, een korting opgelegd van 3%. 1.5 Met het gewijzigde bestreden besluit 1 heeft de minister voor het niet naleven van de onder 1.4 vermelde randvoorwaarden een totale korting van 5% vastgesteld op de GLB-subsidies voor 2021 van de maatschap. Met een begeleidende e-mail van 23 april 2025 heeft de minister de maatschap en het College bericht dat de randvoorwaardenkorting voor 2021 van 5% ongeveer € 7.464,32 zal bedragen en dat de maatschap een nabetaling van ruim € 29.850,- en wettelijke rente zal ontvangen. De minister had dit ten tijde van de zitting nog niet in een besluit neergelegd. 1.6 De maatschap is het niet eens met de (verlaagde) randvoorwaardenkorting. Op de standpunten van partijen wordt bij de beoordeling nader ingegaan. Omvang van het geschil 2 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 van rechtswege ook betrekking op het gewijzigde bestreden besluit 1. Gesteld noch gebleken is dat de maatschap nog belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het oorspronkelijke bestreden besluit 1. Het College zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Formele gebreken 3 Het College zal eerst beoordelen of sprake is van formele gebreken of onrechtmatigheden in de besluitvorming in beide zaken, zoals gesteld door de maatschap. 3.1 Volgens de maatschap heeft de minister ten onrechte apart beslist over (eerst) de randvoorwaardenkorting en (vervolgens) de herberekening en terugvordering van betalingen voor 2021, waardoor zij meerdere procedures heeft moeten voeren. Dit betoog slaagt niet. De oplegging van een administratieve sanctie in de vorm van een randvoorwaardenkorting in procenten is, anders dan de maatschap meent, op rechtsgevolg gericht en is dus een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Er is geen rechtsregel waaruit volgt dat de minister dat besluit niet afzonderlijk van het besluit tot herberekening en terugvordering had mogen nemen. Van misbruik van recht of schending van een beginsel van behoorlijk bestuur is geen sprake. 3.2 De maatschap betoogt dat de minister het NVWA-onderzoek niet als basis voor zijn besluitvorming had mogen gebruiken. Dat de maatschap is geselecteerd voor de steekproef die tot de controle heeft geleid is onrechtmatig omdat de NVWA gebruik maakt van risicoprofilering, terwijl de keuze voor de te onderzoeken landbouwbedrijven willekeurig moet zijn. Daarin kan de maatschap niet worden gevolgd. Op grond van artikel 59, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) en artikel 69 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014) mag namelijk voor (een deel van) de steekproef een op een risicoanalyse gebaseerde selectie van landbouwbedrijven worden gemaakt. De stelling van de maatschap dat zij is geselecteerd omdat zij een gemengd bedrijf (akkerbouw en pluimvee) heeft, kan de maatschap al niet baten omdat zij deze stelling niet heeft onderbouwd. Het betoog slaagt niet. 3.3 De maatschap betoogt verder dat het inspectieverslag van de NVWA onbetrouwbaar is, omdat daarvan twee versies zijn, die beide niet zijn ondertekend. Dit betoog slaagt ook niet. De bij de controle betrokken toezichthouder [naam 3] heeft ter zitting verklaard dat het verslag – waaronder zijn naam staat – door hem is opgesteld in samenwerking met zijn collega [naam 5] , met wie hij de controle heeft verricht. [naam 3] heeft toegelicht dat bij de collegiale beoordeling van het verslag per abuis twee versies in omloop zijn geraakt, waarbij het enige inhoudelijke verschil is dat in één versie een opmerking van een broer van [naam 2] ontbreekt. Aan de maatschap kan worden toegegeven - de minister heeft dat ter zitting ook erkend - dat een en ander slordig is. De maatschap heeft desgevraagd ter zitting echter geen redenen genoemd om aan de toelichting van [naam 3] te twijfelen en zij heeft de in het verslag vermelde waarnemingen, inclusief de hiervoor bedoelde opmerking, niet betwist. Het College ziet daarom geen reden om aan de betrouwbaarheid van de inhoud van het inspectieverslag te twijfelen. De minister heeft daarvan dan ook mogen uitgaan. 3.4 De maatschap betoogt dat het besluit van 29 november 2021 aan oplegging van de randvoorwaardenkorting en herberekening in de weg staat, omdat met dat besluit de GLB-subsidies voor 2021 zonder voorbehoud zijn vastgesteld, terwijl de bevindingen uit het inspectieverslag toen al bij de minister bekend waren. Volgens de maatschap is daarom sprake van strijd met artikel 4:49 van de Awb en diverse beginselen van behoorlijk bestuur. Het College overweegt hierover als volgt. 3.4.1 Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening 1306/2013 is de betaling van het volledige bedrag van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk gesteld van de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen over een goede landbouw- en milieuconditie. Als de landbouwer de randvoorwaarden niet naleeft, krijgt hij een administratieve sanctie opgelegd. Op grond van de artikelen 97 en 99 van Verordening 1306/2013 wordt de administratieve sanctie opgelegd in de vorm van een verlaging of uitsluiting van het totale bedrag van de rechtstreekse betalingen die zijn toegekend of moeten worden toegekend in het kalenderjaar waarin de voorwaarden niet zijn nageleefd (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 27 januari 2021, De Ruiter (ECLI:EU:C:2021:71)). In artikel 4.8 van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat de minister de sancties, bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Verordening 1306/2013 vaststelt overeenkomstig de artikelen 97 en 99 van Verordening 1306/2013. 3.4.2 De grondslag voor de toepassing van de randvoorwaardenkorting wordt aldus gevormd door (dwingende) bepalingen van Unierecht. Anders dan de maatschap stelt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de toepassing overeenkomstig die bepalingen strijd oplevert met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. Omdat op grond van die bepalingen bij een geconstateerde niet-naleving van randvoorwaarden het steunbedrag moet worden gekort (of ingetrokken), kan het beroep van de maatschap op het nationale vertrouwensbeginsel en het daaraan verwante nationale rechtszekerheidsbeginsel evenmin slagen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kan het vertrouwensbeginsel niet worden aangevoerd tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling en kan een met het Unierecht strijdige gedraging van een met de toepassing ervan belaste nationale instantie bij een ondernemer niet het gewettigde vertrouwen wekken dat hij een behandeling kan genieten die in strijd is met het Unierecht (zie de uitspraak van het College van 11 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:162) onder 4.15, met de daar genoemde rechtspraak). Verder is de subsidietitel, waartoe artikel 4:49 van de Awb behoort, hier niet van toepassing (zie de uitspraak van het College van 1 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:672, onder 4.3)). Gelet op het voorgaande is van misbruik van recht evenmin sprake. Het onder 3.4 weergegeven betoog van de maatschap treft daarom geen doel. Niet-naleving randvoorwaarden en hoogte van de korting (gewijzigd bestreden besluit 1) 4 Het College zal hierna beoordelen of de minister met het gewijzigde bestreden besluit 1 terecht een korting van 5% op de GLB-subsidies voor 2021 heeft opgelegd. Mestopslag 4.1 Met betrekking tot de randvoorwaarde op het gebied van milieu, specifiek de verplichting om te voorkomen dat verontreiniging ontstaat door het weglekken van vloeistoffen met mest, overweegt het College als volgt. 4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat vanaf de mestopslag mestvocht in het naastgelegen oppervlaktewater terecht is gekomen. De maatschap betoogt dat dit niet betekent dat zij artikel 3.65 van de Activiteitenregeling niet heeft nageleefd. Volgens haar is dat artikel niet van toepassing op haar mesthoop, nu die korter dan twee weken lag op verharde grond, waarvoor zij bovendien geen uitbetalingen heeft aangevraagd. Dit betoog slaagt gelet op het navolgende niet. 4.3 De maatschap gaat bij haar betoog uit van het bepaalde in artikel 3.65, tweede lid, van de Activiteitenregeling. Het College volgt de minister echter in zijn standpunt dat in dit geval artikel 3.65, vijfde lid, van de Activiteitenregeling van toepassing is. Daarin is kort gezegd bepaald dat bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen op een vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening, vloeistoffen worden opgevangen in een opslagvoorziening die zodanig is aangelegd dat de vloeistof naar deze voorziening stroomt. Uit de toelichting op dit artikel (Stcrt. 2012, nr. 21101) volgt dat het doel van die bepaling (onder meer) is te voorkomen dat vloeistoffen van agrarische bedrijfsstoffen kunnen afstromen naar een oppervlaktewater. Zoals uit het inspectieverslag en de daarin opgenomen bevindingen van het Waterschap volgt, voldeed de maatschap ten tijde van de controles op 6 en 15 oktober 2021 daar niet aan, omdat de opslag op het verharde terrein – dat zij volgens luchtfoto’s uit eerdere jaren en informatie van het Waterschap al langere tijd voor mestopslag gebruikte - niet voorzien was van een dergelijke opvangvoorziening. Daarom heeft zij de randvoorwaarde van artikel 3.65 van de Activiteitenregeling niet nageleefd. 4.4 Uit het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 91 van Verordening 1306/2013 volgt dat een korting kan worden opgelegd als de niet-naleving rechtstreeks aan de begunstigde, in dit geval de maatschap, kan worden toegeschreven, en er aan één of beide van de volgende voorwaarden is voldaan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.