uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1793 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 op het verzet van [naam] B.V., te [woonplaats] (de onderneming) (gemachtigde: drs. M. Franken AA) Procesverloop De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 23 juli
- De zitting was op 21 oktober
- Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de onderneming en de gemachtigden van de minister van Economische Zaken mr. S.M. Piron en mr C. Zieleman. Overwegingen
- Met de uitspraak van 23 juli 2024 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat (nu: de minister van Economische Zaken) van 10 augustus 2023 ongegrond verklaard. De minister heeft met dit besluit het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. 2 Vaststaat dat de laatste dag van de bezwaartermijn 1 juli 2022 was. Het bezwaarschrift is op 30 november 2022 door de minister ontvangen. Dat de onderneming daarmee te laat bezwaar heeft gemaakt, is niet in geschil. De onderneming vindt echter dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarover heeft zij het volgende aangevoerd. Er liep een bezwaarprocedure over de TVL-subsidie voor een andere periode, namelijk voor Q4
- In het kader van die procedure is met regelmaat gesproken met een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarbij is ook de - latere - aanvraag voor Q1 2022 benoemd aangezien daar dezelfde problematiek speelde. De referentieperiode voor beide kwartalen is ook dezelfde. Daarbij komt dat beide aanvragen in de eerste instantie zijn afgewezen om dezelfde reden. Destijds is ook aangegeven dat de behandeling van het bezwaar over Q4 2021 meegenomen zou worden in de verwerking van de aanvraag voor Q1
- Dat de onderneming op 30 november 2022 alsnog een bezwaarschrift heeft ingediend komt doordat de medewerker van RVO toen pas heeft meegedeeld dat afzonderlijk bezwaar moest worden gemaakt tegen het besluit van 20 mei 2022 waarmee de aanvraag om TVL-subsidie voor Q1 2022 was afgewezen. 3 Het College moet in de eerste plaats beoordelen of het niet binnen de termijn indienen van het bezwaarschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt het College bevestigend. Dat de onderneming - eerder - bezwaar had gemaakt tegen het besluit van Q4 2021 ontslaat haar niet van de verplichting om (tijdig) bezwaar te maken tegen het afwijzingsbesluit over Q1 2022 als zij het daar (ook) niet mee eens was. Dit stond onder dat besluit ook duidelijk vermeld. Dat ook de aanvraag voor Q1 2022 is benoemd in de gesprekken met een medewerker van RVO over het bezwaar over Q4 2021 brengt hierin geen verandering. Dat duidelijke toezeggingen zijn gedaan waaruit de onderneming mocht opmaken dat tegen het afwijzingsbesluit over Q1 2022 niet afzonderlijk bezwaar hoefde te worden gemaakt, is niet gebleken. De gedingstukken bevatten daarover niets. 4 De conclusie is dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, zodat de uitspraak van 23 juli 2024 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd. 5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november
- w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer