uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/442 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen [naam 1] , te [woonplaats] (maatschap) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom) Procesverloop Met het besluit van 13 oktober 2023 (bedrijfsblokkade) heeft de minister de maatschap verboden om dieren, dierlijke (bij)producten en verontreinigd diervoeder af te voeren, in de handel te brengen en buiten Nederland te brengen. Met het besluit van 19 oktober 2023 heeft de minister dat verbod opgeheven voor de afvoer van melk en met het besluit van 23 oktober 2023 heeft de minister het verbod volledig opgeheven. Met het besluit van 15 maart 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de bedrijfsblokkade ongegrond verklaard. De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek gedaan om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft partijen om informatie verzocht. De minister heeft aanvullend verweer gevoerd en partijen hebben nadere stukken ingediend. De zitting was op 3 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] namens de maatschap en de gemachtigde van de minister, bijgestaan door [naam 3] . De minister heeft zijn verzoek tot de toepassing van artikel 8:29 van de Awb op de zitting ingetrokken. Overwegingen Wettelijk kader 1 Het toepasselijke wettelijk kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Inleiding 2.1 In augustus van 2023 zijn in de lever van een kalf sporen coumatetralyl aangetroffen boven de Maximum Residu Limiet (MRL) van 0,01 mg/kg. Coumatetralyl is de werkzame stof in Racumin Foam, een bestrijdingsmiddel voor de bestrijding van huismuizen. Dit bestrijdingsmiddel was door [naam 4] (plaagdierbestrijder) toegepast bij de veehouderij waar het kalf werd gehouden. Het aantreffen van sporen van coumatetralyl in de lever van een kalf duidt erop dat het bestrijdingsmiddel is toegepast in strijd met de gebruiksvoorschriften. 2.2 De plaagdierbestrijder had het bestrijdingsmiddel ook bij 79 andere bedrijven toegepast. De administratie van de plaagdierbestrijder bleek niet goed op orde waardoor het administratief onderzoek veel tijd heeft gekost (van augustus tot medio oktober 2023) en ook toen was niet duidelijk hoe het bestrijdingsmiddel bij de 79 andere bedrijven was toegepast en hoeveel bestrijdingsmiddel daarbij was gebruikt. De minister heeft vervolgens uit voorzorg 50 veehouderijen, waaronder de maatschap, stilgelegd met een bedrijfsblokkade. 2.3 De maatschap exploiteert een melkveehouderij en akkerbouwbedrijf. De minister heeft de bedrijfsblokkade aan de maatschap opgelegd, omdat de plaagdierbestrijder het bestrijdingsmiddel op haar bedrijf had toegepast. De bedrijfsblokkade stond eraan in de weg om het melkvee, de geproduceerde melk of diervoeders van het bedrijf af te voeren. 2.4 De minister heeft de bedrijfsblokkade opgeheven nadat uit onderzoek van een toezichthouder bleek dat de dieren of diervoeder niet in aanraking waren geweest met het bestrijdingsmiddel. De maatschap vindt dat de minister de bedrijfsblokkade ten onrechte heeft opgelegd en verzoekt daarom om een vergoeding van de daardoor ontstane schade. De rechtmatigheid van de bedrijfsblokkade 3 De maatschap vindt dat in haar geval onvoldoende aanwijzingen bestonden voor de bedrijfsblokkade. Na de constatering van het verkeerde gebruik van het bestrijdingsmiddel in augustus van 2023 heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld. Op 13 oktober 2023 is de maatschap zonder voorafgaand bedrijfsbezoek telefonisch op de hoogte gebracht van de bedrijfsblokkade. Pas op 14 oktober 2023 bezocht de toezichthouder het bedrijf. Als dat op 13 oktober 2023 was gebeurd, dan was meteen duidelijk geworden dat een bedrijfsblokkade niet nodig was, omdat het bestrijdingsmiddel in de aardappelloods van de maatschap is toegepast en niet bij het melkvee. 4 De minister stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsblokkade passend, noodzakelijk en rechtmatig is. De bedrijfsblokkade is uit voorzorg opgelegd, omdat er een risico voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid was in verband met het vermoeden van coumatetralyl in dieren of dierlijke producten van de maatschap. Nader onderzoek ter plaatse was nodig om blootstelling van dieren van de maatschap aan het bestrijdingsmiddel uit te sluiten. De minister heeft de bedrijfsblokkade meteen opgeheven toen na onderzoek van de toezichthouder bleek dat het bestrijdingsmiddel juist was toegepast. Beoordeling door het College 5.1 Naar het oordeel van het College heeft de minister het vermoeden dat vee van de maatschap in aanraking kon zijn gekomen met het bestrijdingsmiddel onvoldoende onderbouwd. Het College is als volgt tot dat oordeel gekomen. 5.2 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet dieren verzetten zich er niet tegen dat de minister in gegevens uit de administratie van een bedrijf aanleiding vindt tot het opleggen van maatregelen. In artikel 5.10 van de Wet dieren is de bevoegdheid toegekend aan de minister om maatregelen te treffen met betrekking tot dieren en van die dieren afkomstige dierlijke producten die, voor zover hier van belang, een schadelijke stof hebben opgenomen of waarvan wordt vermoed dat zij deze hebben opgenomen. In artikel 5.11 van de Wet dieren is een zelfde soort bevoegdheid toegekend met betrekking tot diervoeders. De wetgever heeft in dit verband uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid dat gegevens uit een administratie aanknopingspunten kunnen opleveren om maatregelen te treffen (zie Kamerstukken II, 2007-2008, 31389, nr. 3, blz. 29 tot en met 31). 5.3 In het aanvullend verweerschrift heeft de minister het vermoeden dat dieren van de maatschap in aanraking konden zijn gekomen met coumatetralyl nader onderbouwd met de volgende informatie uit het logboek van de plaagdierbestrijder (logboek) voor het bedrijf van de maatschap: “24-05-2023 […] Wel foam aangebracht in de wanden waar nodig was. […]” De toepasser had in strijd met de toepassingsvoorschriften niet vermeld waar hij het bestrijdingsmiddel had toegepast en dus niet dat het om een aardappelloods ging en dat de toepassing niet (direct) bij het melkvee had plaatsgevonden. De zelfde toepasser heeft het middel ook bij diverse andere bedrijven toegepast, zonder de plaats van toepassing en de hoeveelheid te registreren. Dit rechtvaardigt volgens de minister het vermoeden dat vee van de maatschap in aanraking was gekomen met coumatetralyl. 5.4 Naar het oordeel van het College was die informatie onvoldoende voor dat vermoeden. Daarvoor is van belang dat, naar de minister uit zijn eigen gegevens kon weten, de maatschap naast een stal voor melkvee ook een (afzonderlijke) loods heeft voor de akkerbouwtak. Uit zijn logboek volgt dat de plaagdierbestrijder in 2022 het bestrijdingsmiddel onderin en onder de koelcellen en in luchtkanalen had gebruikt. Omdat melkvee niet verblijft in een ruimte met koelcellen en luchtkanalen, vormt dit (dus) geen aanwijzing voor gebruik van het middel in de melkveestal. Bij het melkvee zijn volgens het logboek alleen insectenbestrijdingsmiddelen toegepast en daarin komt geen coumatetralyl voor. De toepassing op 24 mei 2023 in de wanden van een bedrijfsgebouw was in samenhang bezien met de eerdere toepassingen en de inhoud van het logboek dan ook onvoldoende concreet voor het vermoeden dat daarmee ook sprake was van een toepassing in de nabijheid van het vee. Weliswaar gaf de onder 2.2 geschetste situatie de minister begrijpelijkerwijs aanleiding tot zorgen met oog op de volksgezondheid en voedselveiligheid, maar dat is zonder concrete gegevens die het vermoeden onderbouwen dat coumatetralyl in de nabijheid van melkvee was gebruikt onvoldoende voor het opleggen van de bedrijfsblokkade. 5.5 Omdat de minister het vermoeden als bedoeld in de artikel 5.10 en de verontreiniging als bedoeld in artikel 5.11 van de Wet dieren onvoldoende heeft onderbouwd, zijn de bedrijfsblokkade en het bestreden besluit onrechtmatig. Het schadeverzoek 6 De maatschap heeft verzocht om vergoeding van de schade die door de bedrijfsblokkade is ontstaan, namelijk 34.326 kg vernietigde melk (melkderving, € 14.186,94), de kosten voor het afvoeren van de melk in de mestkelder (afvoerkosten, € 686,52) en vergoeding van de uren die hij heeft gemaakt voor de behandeling van het dossier (dossierkosten, € 5.463,48), te vermeerderen met de wettelijke rente. De minister vindt de schadeposten onvoldoende onderbouwd. Beoordeling door het College 7.1 Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. 7.2 De maatschap heeft toegelicht dat zij de geproduceerde melk iedere drie dagen laat ophalen, dat het ophaalmoment op 10 oktober 2023 (voor de bedrijfsblokkade) eerder was en dat daardoor het volume op 13 oktober 2023 hoger was (34.326
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.