beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1989 beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van Odido NL Holding B.V. en haar dochtermaatschappijen, te Den Haag, (Odido) (gemachtigden: mrs. P.M. Waszink, E.M. Tjon-En-Fa, J.T. Maalderink en Q.P.R. Mohr), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2023, kenmerken ROT 22/1670 en ROT 23/1076 in de gedingen tussen Odido en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mrs. G.A. Dictus, A.J. Boorsma, T.W. Franssen en M.J.W. Timmer). Procesverloop Odido heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10132). Met de brief van 1 april 2025 heeft de minister een vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft delen van de volgende stukken:
- Stuk 14: Nota van 28 oktober 2020 van Agentschap Telecom met advies inzake termijnen ex artikel 2, derde lid, van het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie,
- Stuk C1: Verslag van de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) van 14 oktober 2020, en
- Stuk D1: Nota van de TFEV van 14 oktober
- Op 20 augustus 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Met de brief van 28 augustus 2025 heeft Odido een reactie ingezonden op het verzoek van de minister van 1 april
- Met de brief van 19 september 2025 heeft de rechter-commissaris nadere vragen gesteld aan de minister in verband met het verzoek van 1 april 2025 voor zover dat betrekking heeft op de stukken C1 en D
- Met de brief van 2 oktober 2025 heeft de minister wat betreft de stukken C1 en D1 een aangepast verzoek ingediend op basis van artikel 8:29 van de Awb. Met de brief van 9 oktober 2025 heeft Odido een reactie ingezonden op het verzoek van de minister van 2 oktober
- Met de brief van 21 oktober 2025 heeft de minister desgevraagd een reactie ingezonden op de brief van Odido van 9 oktober
- Overwegingen
- Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College een rechter-commissaris opgedragen deze beslissing te nemen. 2 Odido heeft op de regiezitting van 20 augustus 2025 en in haar brief van 28 augustus 2025 verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de minister voor zover dat betrekking heeft op bedrijfsvertrouwelijke of concurrentiegevoelige bedrijfs- en/of fabricagegegevens als bedoeld in de artikelen 5.1, eerste lid en onder c, en 5.1, tweede lid en onder f, van de Wet open overheid van concurrenten van Odido in de stukken 14, C1 en D
- Odido stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de overige passages in de stukken C1 en D1 geen sprake is van ‘gewichtige redenen’ die de beperkte kennisneming rechtvaardigen. De stukken C1 en D1 zien niet uitsluitend op de vraag of de maatregel van 23 april 2021 is voorbereid in overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, maar zijn als zodanig relevant voor de hoger beroepsprocedure. De inhoud van die stukken is zeer vermoedelijk relevant voor de beoordeling van de stellingen en standpunten van Odido. Dat de inhoud van de stukken staatsgeheim en/of zeer vertrouwelijk is, wat Odido op zichzelf niet bestrijdt, hoeft daarnaast niet aan verstrekking aan Odido in de weg te staan. Aan Odido zijn reeds stukken verstrekt die gerubriceerde of (zeer) vertrouwelijke informatie bevatten (in het bijzonder het TNO-rapport en het verweerschrift) en daarover zijn strenge veiligheidsafspraken gemaakt. Odido is bereid om de stukken C1 en D1 op dezelfde wijze te behandelen. Het gaat niet om de vraag of de passages in die stukken in algemene zin vertrouwelijk dienen te blijven, maar of het gerechtvaardigd is deze aan Odido te onthouden, bezien in het licht van de vertrouwelijke informatie die al wél aan Odido is verstrekt en mede in het licht van de toezeggingen van Odido omtrent vertrouwelijke behandeling van door de minister aan haar verstrekte informatie. 3 De minister stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de stukken C1 en D1, buiten de bedrijfsvertrouwelijke of concurrentiegevoelige informatie die daarin staan, gewichtige redenen bestaan voor toepassing van artikel 8:29 van de Awb, omdat deze stukken staatsgeheime confidentiële informatie bevatten die de veiligheid van de Staat kan schaden indien deze informatie breder (en bij Odido) bekend wordt. Daarnaast bevatten de stukken informatie die de relatie van Nederland met andere landen kan beschadigen en informatie die het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen kan schaden, alsmede persoonlijke beleidsopvattingen. Stuk C1 bevat bovendien passages die inzicht geven in de inlichtingenposities van de inlichtingendiensten en tevens de (inschatting van) standpunten van andere landen op specifieke thema’s. Stuk C1 bevat ook passages met informatie die de operationele werkwijzen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en/of inlichtingendiensten raakt of waaruit die kunnen worden afgeleid. Verder bevat stuk C1 interne beleidsopvattingen die zien op de inmiddels lopende gerechtelijke procedure en die van belang kunnen zijn voor eventuele toekomstige procedures. Stuk D1 bevat daarnaast informatie over kwetsbaarheiden in mobiele netwerken van de telecomaanbieders en tevens de (inschatting van) standpunten van andere landen op specifieke thema’s. Verder bevat stuk D1 interne beleidsopvattingen die zien op de inmiddels lopende gerechtelijke procedure en die van belang kunnen zijn voor eventuele toekomstige procedures. 4.1 De minister heeft in zijn brief van 2 oktober 2025 desgevraagd erkend dat een deel van de gelakte passages in de stukken C1 en D1, zoals ingediend met het verzoek van 1 april 2025, informatie bevat die al bij Odido bekend is, zodat de beperking van de kennisneming van die passages niet gerechtvaardigd is. De minister heeft daarom nieuwe gelakte versies van de stukken Cl en Dl ingediend, waarbij de informatie die al bij Odido bekend is, niet meer is gelakt. De minister heeft daarnaast in zijn brief van 21 oktober 2025 verklaard dat er geen aanleiding (meer) is twee concreet in die brief aangehaalde passages uit de stukken C1 en D1 gelakt te houden. Hij heeft die betreffende passages daarom niet meer gelakt en in die brief prijsgegeven aan Odido. 4.2 De rechter-commissaris stelt vast dat als gevolg van de aangepaste verzoeken van de minister van 2 oktober 2025 en 21 oktober 2025 geen sprake meer is van gelakte passages in de stukken C1 en D1 die informatie bevatten die al bij Odido bekend is. Verder staat vast dat het verzoek van de minister op basis van artikel 8:29 van de Awb geen betrekking meer heeft op de passages in de stukken C1 en D1 die de minister in de brieven van 2 oktober 2025 en 21 oktober 2025 niet meer heeft gelakt. 5 De rechter-commissaris overweegt verder dat bij de beslissing belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Aan de ene kant speelt het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een of meer andere partijen onevenredig schaden, terwijl de minister er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft. Verder is van belang of de partij aan wie kennisneming van een stuk wordt onthouden door de beperkte kennisneming wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1367, onder 8)). 6 De rechter-commissaris heeft kennis genomen van de stukken C1 en D1 en vastgesteld dat deze de rubricering “Stg. Confidentieel” onderscheidenlijk “Departementaal Vertrouwelijk” hebben. Gelet op het hiervoor opgenomen toetsingskader is de enkele rubricering van een document onvoldoende voor inwilliging van het verzoek om beperking van de kennisneming zonder nadere belangenafweging. 7 De rechter-commissaris oordeelt dat de beperkte kennisneming van de stukken C1 en D1 gerechtvaardigd is. De stukken C1 en D1 bevatten informatie waarvan kennisneming door anderen dan het College de veiligheid van de Staat, de relatie van Nederland met andere landen en het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen kan schaden. De rechter-commissaris is verder met de minister van oordeel dat stuk C1 onder meer passages bevat met informatie die de operationele werkwijzen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en/of inlichtingendiensten raakt of waaruit die kunnen worden afgeleid. Stuk D1 bevat daarnaast onder meer informatie over kwetsbaarheiden in de mobiele netwerken van de telecomaanbieders en ook de (inschatting van) standpunten van andere landen op specifieke thema’s. De rechter-commissaris is van oordeel dat het belang van beperking van de kennisneming zwaarder weegt dan het belang dat Odido kennis neemt van de stukken. De rechter-commissaris neemt hierbij, naast het voorgaande, in aanmerking dat Odido door de beperkte kennisneming niet wezenlijk in haar procesvoering wordt belemmerd. De rechter-commissaris heeft verder het belang van de minister meegewogen ook in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft. 8 Hoewel Odido reeds voor een deel toestemming heeft gegeven dat het College mede op de grondslag van de vertrouwelijke versie van de betreffende stukken uitspraak doet, verzoekt de rechter-commissaris voor de zorgvuldigheid en volledigheid toch nog om deze instemming voor alle vertrouwelijk gehouden stukken. Beslissing De rechter-commissaris: - beslist dat de op 1 april 2025 gevraagde beperking van de kennisneming van stuk 14 en de op 2 oktober 2025 gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken C1 en D1, zoals ingeperkt op 21 oktober 2025, gerechtvaardigd is; - verzoekt Odido om binnen twee weken na heden schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken 14, C1 en D1 uitspraak doet op het hoger beroep, voor zover zij deze stukken niet kent. Aldus genomen door mr. T. Pavićević, in tegenwoordigheid van mr. W.I.K. Baart als griffier, op 23 oktober
- de rechter-commissaris is de griffier is verhinderd verhinderd deze beslissing deze beslissing te ondertekenen te ondertekenen