ECLI:NL:CBB:2026:114
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/900 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 op het verzet van [naam] , te [woonplaats] (betrokkene) Procesverloop Betrokkene heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, van 25 februari 2025.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 2 februari 2026. Partijen waren niet aanwezig.
Overwegingen 1. Met de uitspraak van 8 augustus 2024 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van betrokkene tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur waarmee aan hem een boete van € 3000,- is opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren, ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 25 februari 2025 heeft het College het door betrokkene tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de hogerberoepstermijn.
2 Het hogerberoepschrift is op 7 oktober 2024 door het College ontvangen. Volgens betrokkene is het hogerberoepschrift daarmee tijdig ingediend. De uitspraak van de rechtbank is weliswaar op 8 augustus 2024 aan hem verzonden, maar deze is als onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. De verzending heeft daarmee niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft de uitspraak vervolgens op 29 augustus 2024 opnieuw aan hem verzonden en hij heeft die kort daarna ook ontvangen. Volgens betrokkene is pas vanaf dat moment de hogerberoepstermijn van zes weken gaan lopen en is het hogerberoepschrift dus tijdig ingediend.
3 Het College volgt betrokkene niet. Niet in geschil is dat de rechtbank de uitspraak op 8 augustus 2024 aangetekend aan betrokkene heeft verzonden. Anders dan betrokkene veronderstelt, is de uitspraak daarmee op de juiste wijze verzonden. De termijn voor het instellen van hoger beroep is gaan lopen op de eerste dag na de dag waarop de rechtbank de uitspraak heeft verzonden en is geëindigd op 19 september 2024. Dit betekent dat het hogerberoepschrift niet binnen de termijn is ingediend.
4 De conclusie is dat de uitspraak van het College van 25 februari 2025 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep van betrokkene niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026. w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer