ECLI:NL:CBB:2026:242
beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 25/66 en 25/839 beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen Luminus B.V., te Sint-Joost-ten-Node, België (Luminus) (gemachtigden: mr. B.J.M. van Oorschot en mr. J.E. Janssen) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (gemachtigden: mr. T. Sahabi en mr. S.A. Broodman) met als derde partij Gasunie Transport Services B.V. (GTS) (gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. P.W. Post) Procesverloop Luminus heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de ACM van 28 november 2024.
Luminus heeft rechtstreeks beroep ingesteld tegen het besluit van de ACM van 26 mei 2025.
De ACM heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.
In de zaak 25/66 betreft het (delen van) de volgende stukken:
In de zaak 25/839 betreft het (delen van) de volgende stukken:
Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College mr. M. van Duuren opgedragen om als rechter-commissaris deze beslissing te nemen. Volgens de ACM is in de zaak 25/839 de beperking van de kennisneming van de stukken 10 en 42 nodig omdat sprake is van persoonsgegevens. Volgens de ACM is de beperking van alle andere stukken nodig omdat sprake is concurrentiegevoelige informatie. De stukken bevatten bijvoorbeeld bedrijfs- en fabricagegegevens of ze zien op de strategie op bedrijfsvoering.
2 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een betrokkene onevenredig schaden, terwijl de ACM er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van zijn/haar taken nodig heeft. Onder concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens vallen ook gegevens die inzicht kunnen bieden in de door betrokkene(n) voorgestane (markt)strategie, hoewel de gegevens zelf niet als bedrijfsgegevens zijn aan te merken.
De onderneming en GTS hebben allebei te kennen gegeven dat zij instemmen met de door de ACM gevraagde vertrouwelijke kennisname.
3 De rechter-commissaris oordeelt dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken vanwege de daarin opgenomen concurrentiegevoelige informatie, met uitzondering van gedeeltes van stuk 8 waarover nader in 4.1, gerechtvaardigd is. Deze stukken bevatten bedrijfsvertrouwelijke gegevens of gegevens waaruit (een deel van) de marktstrategie van betrokkenen zou kunnen worden afgeleid, voor zover al niet zonder meer sprake is van concurrentiegevoelige gegevens. Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat een onbeperkte kennisneming van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de verstrekker van de gegevens zal kunnen leiden, terwijl kennisneming van deze informatie door de partij die er niet over beschikt niet noodzakelijk is om haar standpunten toereikend te kunnen bepleiten.
4.1 Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd ten aanzien van gedeeltes van stuk 8, meer concreet de aanbiedingsbrief van 6 maart 2025 van EY Accountants, het assurance-rapport van de onafhankelijk accountant en de daarbij behorende bijlagen. Nagenoeg identieke stukken zijn namelijk reeds door de ACM als niet vertrouwelijk overgelegd in de zaak 25/66 als dossierstuk 33 Tarievenvoorstel GTS 2025 met bijlagen. Voor de rechter-commissaris valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom deze gegevens in de zaak 25/839 als bedrijfsvertrouwelijk moeten worden aangemerkt of gegevens waaruit (een deel van) de marktstrategie van betrokkenen zou kunnen worden afgeleid.
4.2 De rechter-commissaris stuurt deze stukken terug aan de ACM. De ACM dient uiterlijk 29 mei 2026 een nieuwe versie van deze stukken aan het College en de andere partijen toe te sturen. Stuurt de ACM een of meer stukken niet in, dan kan het College daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
5 De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming van de stukken 10 en 42 in de zaak 25/839 voor zover daarin opgenomen persoonsgegevens gerechtvaardigd is. Deze stukken bevatten persoonsgegevens van verschillende niet bij deze procedure betrokken personen. Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat kennisneming van deze informatie door alle partijen tot een onevenredig nadeel voor betrokkenen zal kunnen leiden en een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer tot gevolg zal kunnen hebben. De rechter-commissaris heeft ook het belang meegewogen van de ACM om in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die zij nodig heeft voor een goede uitoefening van haar taken.
6 Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van de (delen van) stukken waarvoor beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak doen. De onderneming en GTS hebben deze toestemming allebei bij voorbaat gegeven. Het College zal dus mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doen op de beroepen.
Beslissing De rechter-commissaris:
Deze beslissing is genomen op 26 mei 2026 door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier.
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. w.g. P.M. Beishuizen