Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

ECLI:NL:CBB:2026:271

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 26/194 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Stichting Comité Schone Lucht, te Amsterdam (CSL) (gemachtigde: mr. M.J. Posset-van de Pol) en de minister van Klimaat en Groene Groei (gemachtigde: mr. drs. M. Wullink) Procesverloop Met de brief van 23 januari 2026 heeft de minister gereageerd op het handhavingsverzoek van CSL.

Met het besluit van 2 maart 2026 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van CSL tegen de brief van 23 januari 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 23 januari 2026 geen besluit is.

CSL heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De zitting was op 28 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen dr. [naam 1] en drs. [naam 2] namens CSL, de gemachtigde van CSL, de gemachtigde van de minister en ing. [naam 3] namens de minister.

Overwegingen De beoordeling door de voorzieningenrechter 1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1 Op 26 juni 2025 heeft CSL de minister verzocht om handhavend op te treden tegen de pelletimport uit Maleisië door [naam 4] Nederland, omdat deze geïmporteerde houtpellets niet voldoen aan de bepalingen van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE++).

2.2 De minister heeft op 23 januari 2026 op dit verzoek gereageerd en geconcludeerd dat CSL geen belanghebbende is bij de subsidieverlening aan [naam 4] . De minister heeft daarom het handhavingsverzoek niet in behandeling genomen. Het bezwaar van CSL hiertegen heeft de minister kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 23 januari 2026 geen besluit is. Tegen dit besluit heeft CSL beroep ingesteld.

3 CSL heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot opschorting van de verdere SDE++ subsidie-uitbetalingen voor het gebruik van vaste biomassa door [naam 4] . Tijdens de zitting heeft CSL dit verzoek nader toegelicht en daarbij aangegeven dat zij verzoekt om toepassing te geven aan artikel 4:48 van de Awb in samenhang met de bepalingen van de SDE++. CSL beoogt zo snel mogelijk als belanghebbende in deze procedure te worden aangemerkt, zodat zij kan ingrijpen in de subsidierelatie tussen de minister en [naam 4] .

4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft CSL onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een (spoedeisend) belang heeft bij een onmiddellijke beslissing op de vraag over haar belanghebbendheid bij een subsidie die is verleend aan [naam 4] . Deze procedure gaat uitsluitend over de vraag of de minister terecht CSL niet als belanghebbende heeft aangemerkt en haar verzoek om handhaving niet in behandeling heeft genomen. Een voorlopig oordeel daarover ligt niet in de rede. In de bodemprocedure kan immers tot een ander – en definitief – oordeel worden gekomen, waarbij de gevraagde voorziening weer vervalt. Daarnaast ligt het verzoek om voorlopige voorziening te ver af van wat CSL eigenlijk wil bereiken, te weten het voorkomen dat [naam 4] nog houtpellets importeert uit Maleisië die niet voldoen aan de bepalingen van de SDE++.

5 De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026. w.g. B. Bastein w.g. F. Willems

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.