uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/1316 en 23/1317 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen [naam 1] , handelend onder de naam Pluimveebedrijf [naam 1], te [vestigingsplaats] (het pluimveebedrijf) en V-P-l B.V., te Biddinghuizen (V-P-I), tezamen genoemd de bedrijven (gemachtigde: mr. C.J. Tijman) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. B.M. Kleijs) Procesverloop Met het besluit van 30 november 2022 (besmetverklaring) heeft de minister pluimveestal 1 van de VOF besmet verklaard met met zoönotische Salmonella typhimurium en bepaald dat met ingang van 29 november 2022 het verboden is om pluimvee, eieren en pluimveemest van of naar stal 1 te vervoeren. De minister heeft hierbij aangegeven dat de aanwezige eieren en het aanwezige pluimvee zullen worden afgevoerd. Met het besluit van 20 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het hiertegen door de bedrijven gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De bedrijven hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het College heeft partijen gevraagd om te reageren op zijn uitspraak van 25 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:185). Partijen hebben hier schriftelijk op gereageerd. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De bedrijven hebben aanvullende stukken overgelegd. De zitting was op 29 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , en [naam 5] voor de bedrijven, de gemachtigde van de bedrijven, de gemachtigde van de minister en [naam 6] . Overwegingen Inleiding 1.1 Het pluimveebedrijf exploiteert sinds 2021 een pluimveevermeerderingsbedrijf in [vestigingsplaats] . Het legt zich toe op de productie van broedeieren (bevruchte eieren) voor onder meer menselijke griepvaccinproductie. V-P-I levert de pluimveedieren aan het pluimveebedrijf en is de eigenaar van zowel de pluimveedieren als de eieren die deze dieren leggen. Op 29 november 2022 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), na analyse door een geaccrediteerd laboratorium, een positieve uitslag voor zoönotische Salmonella typhimurium ontvangen van monstermateriaal dat op 21 november 2022 was genomen in stal 1 van het pluimveebedrijf. Gelet op deze uitslag heeft de minister op grond van artikel 2.2 van het Besluit diergezondheid in samenhang met Verordening (EG) 2160/2003, met de besmetverklaring stal 1 met ingang van 29 november 2022 aangemerkt als besmet met zoönotische Salmonella typhimurium. De minister heeft daarbij als maatregel opgelegd dat het per genoemde datum verboden is om pluimvee, eieren en pluimveemest van of naar stal 1 te vervoeren en aangezegd dat het pluimvee en de eieren zullen worden afgevoerd. 1.2 De bedrijven stellen dat er in dit geval reden bestaat voor twijfel aan de positieve testuitslag. Daarom had de minister een verificatietest moeten uitvoeren. De minister stelt zich op het standpunt dat slechts in uitzonderingsgevallen, bij gerede twijfel aan de juistheid van de testuitslag, een verificatietest toegepast kan worden. Hier is volgens hem geen sprake van een uitzonderingsgeval. Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Appellanten 3.1 Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de besmetverklaring abusievelijk is gericht aan Pluimveebedrijf V.O.F. Hij heeft bedoeld de rechtsopvolger van de VOF, het pluimveebedrijf aan te schrijven, zoals in het bestreden besluit wel juist is gebeurd. Zoals op de zitting besproken, neemt het College daarom aan dat de besmetverklaring (alleen) tot het pluimveebedrijf is gericht en laat het de VOF verder buiten beschouwing. 3.2 De besmetverklaring is niet aan V-P-I gericht, maar zij is wel eigenaar van de pluimveedieren en eieren die bij het pluimveebedrijf worden aangeleverd. Daarbij is het pluimveebedrijf contractueel verplicht de aanwijzingen van V-P-I over verzorging, inrichting en bedrijfsvoering met betrekking tot de pluimveedieren en eieren op te volgen. V-P-I wordt gelet daarop bij de besmetverklaring geraakt in haar eigendomsrecht. Daarom merkt het College haar aan als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de motivering van zijn oordeel verwijst het College naar wat het heeft overwogen onder 6 van zijn uitspraak van 13 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:748). Beoordeling van de gronden 4 In deze zaak draait het om de vraag of sprake is van een uitzonderingsgeval in de zin van punt 2.2.2.2, onder c van de bijlage bij Verordening 200/2010 waardoor aanleiding bestond om een verificatietest uit te voeren. Het College beantwoordt die vraag ontkennend. De minister is terecht tot besmetverklaring en de oplegging van maatregelen overgegaan. Hierna licht het College zijn oordeel toe aan de hand van de door de bedrijven aangevoerde gronden. Was er aanleiding om een verificatietest uit te voeren? 4.1 Op grond van punt 2.2.2.2, onder c van de bijlage bij Verordening 200/2010 kan alleen in uitzonderingsgevallen, wanneer er reden is om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat worden overgegaan tot een verificatietest. Een vermeerderingskoppel wordt niet meer als positief beschouwd als het oorspronkelijke positieve resultaat voor salmonella niet wordt bevestigd bij officiële controles, zo volgt uit punt 4, tweede alinea, van de bijlage bij Verordening 200/2010. Zoals de minister in het bestreden besluit heeft toegelicht werd tot januari 2020 altijd een verificatietest uitgevoerd na een positieve testuitslag, zowel bij legkoppels als bij vermeerderingskoppels. In januari 2020 is de werkwijze bij vermeerderingskoppels aangepast en wordt niet standaard meer een verificatietest uitgevoerd. Sinds 1 januari 2021 is ook de werkwijze voor legkoppels aangepast en wordt ook voor die koppels geen standaard verificatietest meer uitgevoerd. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd omdat het standaard uitvoeren van verificatietests volgens de Europese Commissie in strijd was met Europese regelgeving. 4.2 Het College heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) in een eerdere zaak prejudiciële vragen gesteld over de vraag wanneer sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in punt 2.2.2.2, onder c van de bijlage bij Verordening 200/2010 (zie de verwijzingsuitspraak van 6 september 2022, ECLI:NL:CBB:2022:592 en de einduitspraak van 25 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:185). In het arrest van 19 oktober 2023 (ECLI:EU:C:2023:799) heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat punt 2.2.2.2, onder c, van de bijlage bij Verordening 200/2010 zo moet worden uitgelegd: “de situatie van een bedrijf dat vermeerderingskoppels van Gallus gallus exploiteert, waarbij in het kader van een routinebemonstering tests zijn uitgevoerd waarvan de resultaten duiden op de aanwezigheid van salmonella, kan worden geacht onder het begrip „uitzonderingsgevallen waarin de bevoegde autoriteit reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat” in de zin van die bepaling te vallen wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en de analyse van de monsters niet correct zijn uitgevoerd, of - gelet op de onberispelijke algemene toestand van het bedrijf en rekening houdend met de epidemiologische kenmerken van salmonella – meent dat er een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan.” Het feit dat later op initiatief van de betrokken exploitant verkregen monsters meerdere negatieve resultaten hebben opgeleverd voor het aangetroffen salmonellatype, welke resultaten aan de bevoegde autoriteit zijn meegedeeld nadat zij al een besluit had genomen, alsmede dat slechts bepaalde stallen positief zijn getest en slechts een van de twee per stal genomen monsters positief was, vormen geen relevante omstandigheden om een dergelijke situatie onder dat begrip te kunnen laten vallen. De vaccinatiestatus van het koppel en de voorgeschiedenis van het bedrijf op het gebied van de prevalentie van het aangetroffen type salmonella vormen – wanneer zij onberispelijk zijn – omstandigheden waarmee in dit verband rekening moet worden gehouden, maar zijn op zich niet voldoende om te stellen dat de betrokken situatie onder voornoemd begrip valt.” 4.3 Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie dient deze bepaling restrictief te worden uitgelegd en is die beperkt tot situaties waarin zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en de analyse niet correct zijn uitgevoerd, of er een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan. 4.3.1 Volgens de bedrijven bestaat er in dit geval een aanzienlijk risico in de hiervoor bedoelde zin. Zij beroepen zich erop dat uit later sequentieonderzoek naar voren is gekomen dat de in het monster van het pluimveebedrijf gevonden salmonellastam (genetisch) identiek is aan de stammen die zijn gevonden in monsters van vier andere bedrijven, waaronder drie pluimveebedrijven, terwijl deze bedrijven geen onderlinge banden of link hebben. De bedrijven verbinden hieraan de conclusie dat de besmetting met salmonella niet op het pluimveebedrijf, maar (zeer waarschijnlijk) in het geaccrediteerde laboratorium − waar alle genoemde monsters zijn getest − heeft plaatsgevonden. Zij betogen dat sprake is van een gegrond vermoeden van contaminatie van de monsters. Het College volgt de bedrijven hierin niet. Tijdens de zitting is door de minister meegebrachte deskundige toegelicht dat het kan voorkomen dat verschillende monsters een identieke salmonellastam hebben, te meer als sprake is van een veel voorkomende variant. Bovendien staat in dit geval vast dat één van de monsters waarvan de stam identiek is aan de stam die bij het pluimveebedrijf is gevonden, van veel eerdere datum is (circa drie maanden eerder) dan het monster dat is genomen op het pluimveebedrijf, terwijl twee andere monsters van veel latere datum zijn. De betreffende monsters zijn dan ook niet opeenvolgend, of vlak na elkaar getest. Er zijn geen aanwijzingen dat de standaardwerkwijze niet is gevolgd bij het testen van de monsters die zijn genomen op het pluimveebedrijf. Op basis van het bovenstaande komt het College tot het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat er zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en de analyse niet correct zijn uitgevoerd, of er een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan. Hierdoor is geen sprake van een uitzonderingsgeval als bedoeld in punt 2.2.2.2, onder c van de bijlage bij de Verordening 200/2010 op grond waarvan de minister had kunnen overgaan tot het uitvoeren van een verificatietest. De grond slaagt niet. 4.3.2 Dat slechts één van de monsters die bij het pluimveebedrijf zijn genomen positief testte, maakt het bovenstaande niet anders. Datzelfde geldt voor de door de bedrijven genoemde omstandigheid dat later door het pluimveebedrijf uitgevoerde herbemonsteringen, een negatief testresultaat opleverden. Voor de vraag of sprake is van een uitzonderingsgeval, is dat niet relevant. Het College verwijst daarvoor naar de overwegingen van het Hof van Justitie die hiervoor in 4.2 zijn aangehaald. 4.3.3 De bedrijven hebben verder gewezen op de vaccinatiestatus van het koppel en de strenge hygiëne- en productievoorschriften die op het pluimveebedrijf gelden. Zoals volgt uit het eerdergenoemde arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 25 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:185) zijn de vaccinatiestatus van het koppel en de voorgeschiedenis van het bedrijf op het gebied van de prevalentie van het aangetroffen type Salmonella, wanneer zij onberispelijk zijn, omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden. Deze omstandigheden zijn op zichzelf echter niet voldoende om te stellen dat sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in punt 2.2.2.2, onder c van de bijlage bij Verordening 200/2010. Dat betekent dat deze slechts in samenhang met andere omstandigheden tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de verordening. Zoals het College uiteen heeft gezet in 4.3 en 4.3.1 van deze uitspraak, is er in dit geval geen aanleiding om aan te nemen dat zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en de analyse van de monsters niet correct zijn uitgevoerd, of dat er een aanzienlijk risico is dat zich deze gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan. De vaccinatiestatus en de door de bedrijven genoemde hygiëne- en productievoorschriften veranderen dit oordeel niet. Was het afvoeren van de dieren disproportioneel? 4.4 Aan de besmetverklaring heeft de minister de maatregel verbonden dat de dieren uit stal 1 worden afgevoerd. Volgens de bedrijven is deze maatregel disproportioneel omdat het koppel geen eieren produceerde voor menselijke consumptie, maar de eieren uitsluitend werden gebruikt voor het produceren van voor mensen bestemde griepvaccins. 4.5 Deze beroepsgrond slaagt niet. In punt 1 van onderdeel C van Bijlage II bij Verordening 2160/2003 staat dat de maatregelen genoemd in punt 3 tot en met 5 moeten worden getroffen wanneer Salmonella typhimurium is aangetoond. In punt 4 staat dat alle dieren van het koppel moeten worden geslacht of vernietigd, waarbij elk risico op verspreiding van salmonella zoveel mogelijk wordt voorkomen. Uit het gebruik van het woord ‘moeten’ blijkt dat daarin dwingend is voorgeschreven dat de dieren moeten worden gedood wanneer Salmonella typhimurium is aangetoond. Voor het nemen van een andere of minder ingrijpende maatregel bestaat geen ruimte. Slotsom 5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond; Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. C.T. Aalbers en mr. B.J. van de Griend, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026. w.g. D. Brugman w.g. E.M.M.A. Driessen Bijlage Verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie van 10 maart 2010 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van serotypen Salmonella bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus Bijlage punt 2.2.2.2. Bemonstering bij officiële controles […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.